1290 EURO
...

1290 EURO Dat was het gemiddelde maandelijkse brutopensioen van de Belg in 2013. Maar eigenlijk zegt dat gemiddelde niets: het maskeert gigantische verschillen. Zo bedroeg het gemiddelde brutopensioen voor ambtenaren vorig jaar 2349 euro, tegenover 1177 euro voor werknemers en 791 euro voor zelfstandigen, telkens na een zuivere loopbaan in die categorie (zie tabel Het gemiddelde pensioen in België). Bovendien zijn er niet alleen verschillen tussen de pensioenstelsels, het pensioenbedrag hangt ook af van de duur van de loopbaan. Voor een pensioengerechtigde met een volledige loopbaan liggen de bedragen hoger dan voor iemand die minder lang heeft gewerkt. Daarnaast vallen regionale verschillen op. Zo ligt het gemiddelde pensioen in Wallonië en Brussel hoger dan in Vlaanderen. In België is er ook nog eens de zogenoemde pensioenhomogamie: een hoog wettelijk pensioen van één partner gaat samen met een hoog wettelijk pensioen voor de andere partner. Vooral het verschil tussen het pensioen van ambtenaren en dat van werknemers en zelfstandigen is frappant. Dat komt doordat de drie stelsels in België los van elkaar zijn ontstaan en geregeld werden aangepast. Om die verschillen te begrijpen, moeten we al teruggaan tot juli 1844. Toen werd in de overheidssector een eerste pensioenregeling ingevoerd, meer bepaald voor overheidsambtenaren en voor bedienaars van de erediensten. In die tijd werd het rustpensioen voor ambtenaren al beschouwd als een uitgesteld loon. Ambtenaren hadden recht op 65 jaar, als ze minimaal twintig dienstjaren hadden. Het eerste pensioenstelsel voor werknemers kwam er pas veel later: in 1911 was er een voor de mijnwerkers. De regelingen voor arbeiders dateren van 1924, die voor bedienden van 1925. Het waren vormen van kapitalisatie, waarbij werknemers bijdragen stortten voor hun eigen pensioen. Het werknemersstelsel zoals we dat nu kennen, dateert van 1955. Toen werd het repartitiestelsel ingevoerd, waarbij de bijdragen van de actieve bevolking de huidige pensioenen financieren. De pensioenstelsels mogen dan op uiteenlopende tijdstippen zijn ontstaan, toch wordt de uitkering in principe bepaald op basis van dezelfde criteria: in elk stelsel bedraagt de wettelijke pensioenleeftijd 65 jaar en bereik je een volledige loopbaan pas als je 45 jaar hebt gewerkt. Waar komen die grote verschillen dan vandaan? Veel heeft te maken met de complexe pensioenberekening en het bestaan van heel wat uitzonderingsregimes. Zo zijn er in de ambtenarenpensioenen categorieën van werknemers voor wie een lagere leeftijdsgrens geldt. Voor het rijdend personeel van de NMBS ligt de grens op 55 jaar, voor het operationeel korps van de politie op 58 jaar, en in het leger zijn pensioenen vanaf 56 jaar nog altijd mogelijk. Het belangrijkste verschil tussen de stelsels heeft niet te maken met de pensioenleeftijd, maar met de hoogte van de uitkering en de berekening ervan. Het pensioen van een werknemer wordt berekend op basis van het brutoloon dat hij tijdens een jaar heeft verdiend. Voor elk gewerkt jaar levert het brutoloon 1/45ste van de pensioenrechten op. Maar dat wil niet zeggen dat een gepensioneerde werknemer een pensioen ontvangt dat gelijk is aan het gemiddelde loon tijdens zijn loopbaan. Een gezinshoofd krijgt slechts 75 procent van zijn gemiddelde loon, een alleenstaande 60 procent. In het zelfstandigenstelsel is dat 70 procent voor een gezinshoofd en 60 procent voor een alleenstaande. Dat is anders bij de ambtenaren die, ongeacht hun gezinssituatie, kunnen rekenen op een pensioen van 75 procent van hun referentiewedde. Dat is niet de wedde van hun hele loopbaan, maar van de voorbije tien jaar. Bovendien wordt bij de berekening van de ambtenarenpensioenen ook een tantième of een loopbaanbreuk in rekening genomen. De normale is 1/60ste, maar er zijn veel uitzonderingen, zoals 1/55ste in het onderwijs en 1/48ste voor magistraten en spoorwegpersoneel. Door die loopbaanbreuk kunnen ambtenaren met pensioen gaan voordat ze voldoende jaren hebben gewerkt. En dan is er nog de perequatie. De ambtenarenpensioenen stijgen niet alleen met de inflatie, zoals de andere pensioenen, maar ook met loonstijgingen in de sector (zie tabel Pensioenverschillen tussen ambtenaren en werknemers). Ambtenarenpensioenen zijn royaler, aangezien ze gelden als een uitgesteld loon. Dat is een compensatie voor de lagere lonen van het overheidspersoneel in vergelijking met de privésector. Maar economen discussiëren er al een tijdje over of die kloof tussen de lonen in de private en de publieke sector nog altijd relevant is. Volgens de Commissie Pensioenhervorming zijn de privélonen wel nog altijd genereuzer, omdat ook extralegale voordelen zoals een bedrijfswagen of een groepsverzekering moeten worden meegeteld. Een vaak onderschatte oorzaak van de kloof tussen het ambtenaren- en het werknemerspensioen is het zogenoemde loonplafond. Voor de overheidspensioenen is het zeer eenvoudig: de pensioenuitkering bedraagt drie vierde van de referentiewedde, met een absoluut plafond van 6283,85 euro bruto per maand. Wie werknemer in de privésector is, is minder goed af: daar wordt het pensioenbedrag vrij snel afgetopt. Ook voor zelfstandigen geldt een inkomensplafond. Dat wil zeggen dat de sociale bijdragen wel stijgen als het loon toeneemt, maar dat een deel van het loon boven een bepaald plafond niet wordt meegeteld in de berekening van het pensioen. Dat plafond bedraagt momenteel 52.760,95 euro bruto per jaar voor werknemers, tegenover 55.405 euro per jaar voor zelfstandigen. Het gevolg is dat één op de vijf gepensioneerden een pensioen heeft dat niet in overeenstemming is met zijn inkomsten tijdens zijn loopbaan. Volgens de Commissie Pensioenhervorming is gemiddeld 16 jaar van de loopbaan van mannen geplafonneerd, voor de vrouwen is dat 11,2 jaar. Onderzoek heeft aangetoond dat het aantal Belgen dat in de toekomst stuit op een maximumpensioen, enkel nog zal toenemen. Ivan Van de Cloot voorspelt in zijn boek De rekening klopt dat op termijn één op de twee mannelijke en één op de vier vrouwelijke bedienden door het loonplafond rekening moeten houden met een lager dan verwacht pensioen. Van de arbeiders zou op termijn 40 procent van de mannen en 25 procent van de vrouwen worden geraakt door het loonplafond. Die pensioenberekening voor werknemers is er de oorzaak van dat de vervangingsratio -- het verschil tussen de pensioenuitkering en het laatste loon -- in het Belgische pensioensysteem relatief laag ligt. In de werknemersregeling bedraagt de vervangingsratio 47 procent voor mannen, en 56 procent voor vrouwen. Dat is in belangrijke mate het gevolg van het loonplafond, want voor werknemers in de laagste inkomensschijf (van 10.000 tot 12.500 euro per jaar) bedraagt de vervangingsratio zowaar 105 procent. Het Belgische loonplafond is een van de laagste van de industrielanden. Eigenlijk wil dat zeggen dat de samenhang tussen het loon, de bijdragen en het uiteindelijke pensioen losser wordt en dat het werknemerspensioen afglijdt naar een basispensioen. Ivan Van de Cloot: "Ons pensioenstelsel heeft dus eigenlijk een deel van zijn verzekeringsimpact verloren. Gezien de lage vervangingsratio, biedt het zeker niet langer de garantie dat we onze koopkracht en levensstandaard na onze loopbaan op peil kunnen houden." Want zodra een plafond is bereikt, is een verdere verhoging van de levensstandaard binnen die pijler eigenlijk onmogelijk geworden. Toch is het niet allemaal kommer en kwel voor wie straks wil rekenen op een wettelijk pensioen als privéwerknemer. Een privéwerknemer heeft voor zijn pensioen opvallend meer voordelen door het stelsel van de gelijkgestelde periodes. Dat zijn jaren van inactiviteit -- bijvoorbeeld door werkloosheid, ziekte of tijdskrediet -- die voor de berekening van het rustpensioen toch worden gelijkgesteld met gewerkte periodes. Terwijl 95 procent van de loontrekkenden tijdens zijn loopbaan heeft gebruikgemaakt van de een of andere vorm van gelijkgestelde periodes, is dat bij ambtenaren 45 procent en bij zelfstandigen 23 procent. Bij mannen uit de privésector bestaat gemiddeld 25 procent van hun loopbaan uit gelijkgestelde periodes, bij vrouwen is dat 29 procent. Voor ambtenaren varieert het percentage tussen 7 en 8 procent voor mannen en vrouwen. Voor zelfstandigen gaat het om 4 procent van de loopbaan, vooral door ziekte of invaliditeit. Die verschillen zijn eenvoudig te verklaren: periodes van werkloosheid zijn er enkel bij werknemers. Bovendien nemen zelfstandigen geen loopbaanonderbreking of tijdskrediet. In dat verband moeten ook de diplomabonificaties van de ambtenaren worden vermeld. Dat is het aantal jaren dat iemand nodig heeft om een diploma hoger onderwijs te halen, zodat ze voldoen aan de voorwaarden om een functie uit te oefenen. Die bonificaties worden in rekening genomen om de loopbaanjaren vast te leggen. Bij een bachelor worden twee à drie jaar meegeteld, bij een master tot vijf jaar. Het voordeel van die bonificaties is dat ambtenaren sneller aan de vereiste loopbaanjaren komen om met pensioen te gaan. Door dat systeem gaan negen op de tien ambtenaren met pensioen voordat ze de wettelijke leeftijd van 65 jaar hebben bereikt. De verschillen tussen de pensioenstelsels zijn dus groot, maar de voorbije jaren hebben verschillende regeringen pogingen ondernomen om ze naar elkaar te doen toegroeien. Zo heeft de regering-Di Rupo de gelijkgestelde periode bijgestuurd. Periodes van brugpensioen onder 60 jaar en periodes van langdurige werkloosheid worden op basis van een beperkt fictief loon meegeteld in de pensioenberekening, waardoor ze financieel minder zwaar wegen. Maar de meeste hervormingen hadden betrekking op het stelsel van de ambtenaren en de zelfstandigen. Om het gewicht van de royale ambtenarenpensioenen te doen afnemen, nemen overheden steeds meer gesubsidieerde contractuelen of contractuele ambtenaren in dienst. Hun pensioenregeling valt onder het werknemersstelsel. Momenteel bestaat 58,45 procent van het overheidspersoneel uit contractuelen. We vinden die vooral in de provinciale en de gemeentelijke overheden, waar ze 63 procent van het personeel uitmaken. Een andere maatregel is dat een aantal leeftijdsgrenzen voor vastbenoemd personeel werd opgetrokken. Sinds 2009 zijn deze leeftijdsgrenzen van toepassing voor het pensioen van militairen: 56 jaar voor officieren, 59 jaar voor een generaal-majoor en 61 jaar voor een luitenant-generaal. De tijd dat sommige militairen op 51 jaar met pensioen konden, is voorbij. Om ambtenaren aan te zetten om langer te werken, heeft de regering-Di Rupo de preferentiële tantièmes die voordeliger waren dan 1/48 opgetrokken tot die loopbaanbreuk. Daarvoor bestonden zeer royale loopbaanbreuken zoals 1/30 voor de hoogleraren, 1/20 voor leden van het Comité P en I, en zelfs 1/12 voor provinciegouverneurs. Ook de huidige regeling dat de ambtenarenpensioenen worden berekend op basis van de refertewedde van de voorbije tien jaar -- daarvoor was dat de voorbije vijf jaar -- dateert van de vorige legislatuur. De regering-Michel wil die nog verder aanpassen. De berekening van het pensioen op basis van de voorbije twintig jaar is daarbij een denkspoor. Maar aangezien de lonen van de ambtenaren vooral aan het begin van de loopbaan sterk toenemen, mag het effect daarvan niet worden overschat. Op die manier blijven de ambtenarenpensioenen nog altijd royaal. Wat wel een beperkt verschil zal maken, is dat de studiejaren niet meer volledig worden meegeteld bij de loopbaanberekening. De aanpassingen in het ambtenarenstelsel gebeuren in kleine stapjes. De harmonisering is wel verregaand bij de zelfstandigenpensioenen. De voorbije jaren hebben de regeringen vooral werk gemaakt van de verhoging van het minimumpensioen voor zelfstandigen. Over de periode 2000-2014 steeg het minimum voor gezinnen in reële termen met 46 procent en dat voor alleenstaanden met 50 procent. Sinds 1 april 2013 krijgen zelfstandigen hetzelfde minimale gezinspensioen als werknemers. Voor een loopbaan van 45 jaar ontvangen zelfstandigen en werknemers dan 16.636,77 euro per jaar. Wie minder lang heeft gewerkt, krijgt een evenredig bedrag. Wel bedraagt het minimumpensioen voor alleenstaande zelfstandigen 12.574,11 euro per jaar, of 739,5 euro per jaar minder dan voor werknemers (zie tabel Minimumpensioenen en maximumpensioenen). Ook de wettelijke maxima in het zelfstandigenpensioen hebben een opwaartse evolutie doorgemaakt. Voor een zelfstandig gezinshoofd bedraagt dat maximum nu 1528,58 euro. De voorbije jaren zijn de maximumpensioenen voor zelfstandigen sterker gestegen dan die voor werknemers, omdat men stilaan de erfenis van voor 1984 aan het afgooien is. Dat zit zo: tot 1984 werden de zelfstandigenpensioenen berekend op basis van forfaitaire bedrijfsinkomsten. Sindsdien is evenredigheid in het stelsel geïntroduceerd, waarbij het pensioen wordt berekend op basis van het beroepsinkomen waarop bijdragen zijn betaald. De voorbije jaren wordt een steeds groter deel van de pensioenuitkeringen niet berekend op basis van een forfaitair inkomen van voor 1984, maar op basis van de proportionele inkomsten van daarna. Dat verklaart de inhaalbeweging van de zelfstandigenpensioenen ten opzichte van de werknemerspensioenen, al zal die kloof nooit volledig zijn gedicht, leert onderzoek van de Rijksdienst voor Pensioenen. De pogingen om de pensioenen naar elkaar te doen toegroeien, heeft natuurlijk te maken met de oplopende vergrijzingskosten. Die zijn de voorbije jaren steevast onderschat. Tegen 2060 zouden de extra kosten van de vergrijzing voor ons land uitkomen in de buurt van 10 procent van het bruto binnenlands product (bbp). In 2009 was nog sprake van 6,9 procent van het bbp. De oplossing voor het vergrijzingsprobleem is bekend: de Belgen moeten de arbeidsmarkt later verlaten dan op de huidige gemiddelde uittredeleeftijd van 59,6 jaar. Dat bekent langere loopbanen, waarbij meer en langer sociale bijdragen worden betaald en de overheid minder uitgeeft aan stelsels zoals het brugpensioen en het vervroegd pensioen. Ook tellen de gelijkgestelde periodes van inactiviteit op termijn het beste niet meer mee in de pensioenberekening. Ondanks de sombere vooruitzichten zijn de vergrijzingskosten nog perfect beheersbaar. Een onderzoek van de Nationale Bank reikt een mogelijkheid aan: op middellange termijn moet een structureel begrotingsoverschot van 0,75 procent worden bereikt. Tegelijk moet de productiviteitsgroei 1,5 procent bedragen. In dat geval is een voorfinanciering van de vergrijzingskosten van 77 procent mogelijk. Bij een begrotingsevenwicht kan 57 procent van de budgettaire kostprijs van de vergrijzing worden opgevangen.ALAIN MOUTONDe voorbije jaren hebben de regeringen vooral werk gemaakt van de verhoging van het minimumpensioen voor zelfstandigen.