De start van de Europese spaarrichtlijn kan verregaande gevolgen hebben voor de Belg die gewend is zijn spaargeld in het buitenland te verstoppen voor de Belgische fiscus. Er zal informatie worden uitgewisseld over de interest die een inwoner van een Europese lidstaat in een andere lidstaat (of een ander deelnemend land) ontvangt. Krijgt een Belgische inwoner bijvoorbeeld een coupon van een euro-obligatie in Nederland, dan zal de Belgische fiscus op de hoogte gebracht worden van zijn identiteit, de ontvangen interest en de uitbetalende (Nederlandse) instelling. De Belgische inwoner moet deze Nederlandse interest opnemen in zijn Belgische aangifte.
...

De start van de Europese spaarrichtlijn kan verregaande gevolgen hebben voor de Belg die gewend is zijn spaargeld in het buitenland te verstoppen voor de Belgische fiscus. Er zal informatie worden uitgewisseld over de interest die een inwoner van een Europese lidstaat in een andere lidstaat (of een ander deelnemend land) ontvangt. Krijgt een Belgische inwoner bijvoorbeeld een coupon van een euro-obligatie in Nederland, dan zal de Belgische fiscus op de hoogte gebracht worden van zijn identiteit, de ontvangen interest en de uitbetalende (Nederlandse) instelling. De Belgische inwoner moet deze Nederlandse interest opnemen in zijn Belgische aangifte. België, Luxemburg en Oostenrijk zijn uitzonderingen op de regel van de informatie-uitwisseling. Zij zullen een zogenaamde woonstaatheffing van 15 % (20 % vanaf 2008 en 35 % vanaf 2011) toepassen op de interest die een inwoner ontvangt uit een andere lidstaat. De identiteit van de ontvanger wordt echter niet aan het thuisland bekendgemaakt. Door de spaarrichtlijn wordt het dus minder interessant om spaartegoeden in het buitenland aan te houden. Dat doet de vraag rijzen of er nog ontsnappingsmogelijkheden zijn. De vraag naar de ontwijkmogelijkheden hangt nauw samen met de vraag naar het toepassingsgebied van de richtlijn. 1. De richtlijn is enkel van toepassing op natuurlijke personen. Rechtspersonen zoals vennootschappen en verenigingen vallen dus niet onder de spaarrichtlijn. 2. De richtlijn is alleen van toepassing op interesten. Dit betekent dat heel wat financiële producten niet onder de richtlijn vallen (zie kader: Welke financiële producten blijven buiten schot?). 3. De spaarrichtlijn is van toepassing als de rente wordt betaald door een instelling gevestigd in de volgende landen: de 25 EU-lidstaten, tien 'afhankelijke gebieden' (Guernsey, Jersey, Eiland Man, Britse Maagdeneilanden, Turks- en Caicos-eilanden, Kaaimaneilanden, Anguilla, Monserrat en de Nederlandse Antillen en Aruba) en vijf derde landen (Zwitserland, Andorra, San Marino, Liechtenstein en Monaco). Er moet nog wel een aantal verdragen worden afgesloten met deze staten, maar de wil om mee te werken, is aanwezig. Europa heeft er dus voor gezorgd dat een aantal landen die bekend zijn als belastingparadijzen, een deel van hun aantrekkingskracht verliezen. Maar u kunt nog altijd aan de richtlijn ontsnappen door interesten te innen in landen waar de richtlijn niet van toepassing is (bijvoorbeeld Singapore, de Bahama's, Panama, Hongkong, Belize, Mauritius). Natuurlijk moet een spaarder wel wat moeite doen om met zijn spaargeld naar exotische belastingparadijzen als de Bahama's of Mauritius te trekken. Bovendien bestaat er een muntrisico en laat het banksysteem in sommige fiscale paradijzen te wensen over. Amerika doet niet mee aan de Europese spaarrichtlijn. Ze passen dus geen bronheffing toe op de interest die buitenlandse beleggers er ontvangen op obligaties en spaarrekeningen. Toch moet u rekening houden met bilaterale verdragen die de Verenigde Staten hebben afgesloten, waardoor de VS wel informatie over buitenlandse beleggingsinkomsten van Europese beleggers uitwisselt. Met België gebeurt deze informatie-uitwisseling in de praktijk voorlopig niet systematisch. Voor eigenaars van grote vermogens bestaan er internationale constructies die fiscaal interessant blijven. Deze constructies maken meestal gebruik van het feit dat de spaarrichtlijn alleen geldt voor natuurlijke personen en niet voor rechtspersonen. Over welke constructies gaat het? 1. De holdingVermogende particulieren zullen misschien verkiezen om via hun eigen holdingvennootschap hun beleggingen te blijven uitvoeren. De richtlijn laat vennootschappen en rechtspersonen immers ongemoeid. Een Holding 29 in Luxemburg kan nog altijd interesten incasseren zonder roerende voorheffing te betalen. Deze opbrengsten kunnen echter niet als een rentegevend inkomen worden uitgekeerd aan de aandeelhouders zonder dat de spaarrichtlijn om de hoek komt kijken. De uitkering van een dividend kan wel overwogen worden. De spaarrichtlijn is alleen van toepassing op fysieke personen. En daar hoort niet enkel de individuele spaarder bij, maar ook de zogenaamde 'achterman', de natuurlijke persoon van een vennootschap of een fiduciaire structuur. De richtlijn wil vooral bewerkstelligen dat de uiteindelijke gerechtigde van een rentegevend inkomen niet meer kan ontsnappen aan de betaling van roerende voorheffing. 2. De trustDe trust is een rechtsfiguur uit de Angelsaksische landen (Amerika, Groot-Brittannië). De trust is een contract waarbij iemand een deel van zijn vermogen afstaat aan een beheerder (de trustee). De trustee beheert het vermogen voor een bepaalde begunstigde (meestal de persoon die zijn vermogen afstaat). Dankzij de trust is er een scheiding van de juridische en de economische eigendom van het afgestane vermogen. Juridisch is de trustee eigenaar van het vermogen, maar economisch blijft de persoon die zijn vermogen heeft afgestaan de eigenaar. Dit betekent meteen ook dat de economische eigenaar de inkomsten van het beheer krijgt uitgekeerd, terwijl de inkomsten uit het afgestane vermogen belast worden in het land waar de trustee woont. Een gewone trust is geen oplossing om te ontsnappen aan de spaarrichtlijn. De eigenaar is immers een natuurlijke persoon en kan als belastingplichtige worden geïdentificeerd. Om te ontsnappen aan de richtlijn zou u moeten kiezen voor de zogenaamde discretionary trust. Dan is het de trustee die eigenmachtig beslist over het al dan niet uitkeren van de inkomsten aan de begunstigde van de trust. Op die uitkeringen aan de begunstigde is de richtlijn niet van toepassing, zelfs niet wanneer er alleen interest wordt uitgekeerd. Bovendien moet u niet alleen kiezen voor een discretionary trust, maar liefst nog een die gevestigd is in een land met een gunstig belastingregime. In de praktijk wordt er dan ook vaak gewerkt met offshoretrusts op de Kanaal- eilanden, Jersey, de Bahama's, Mauritius... Op die manier vangt u twee vliegen in één klap. Uitkeringen door discretionary trusts aan natuurlijke personen zijn niet onderworpen aan de spaarrichtlijn en uitkeringen van interest aan een discretionary trust op de Kanaaleilanden, Jersey... worden niet onderworpen aan enige trustbelasting. Toch enkele kanttekeningen bij de discretionaire offshoretrust. Het zijn ingewikkelde en dure constructies die u best niet opzet met onbekenden. Deskundige begeleiding (bijvoorbeeld door internationaal actieve banken of private bankers) is een onontbeerlijke voorwaarde voor het welslagen van de constructie. Een trust moet zeer deskundig worden opgezet om te vermijden dat de fiscus er niet dwars doorheen kijkt. Bovendien is een Belg van nature argwanend als hij zijn vermogen moet afstaan aan een derde (de trustee). Voordat u in het avontuur van een trust stapt, moet u eerst goed nadenken wat u ermee wilt bereiken. U moet beseffen dat het achteraf niet meer zo makkelijk is om met uw geld boven water te komen. De Belgische fiscus erkent sinds oktober vorig jaar het gebruik van trusts. Als u deze techniek echter wilt gebruiken om aan de spaarrichtlijn te ontsnappen, moet u er wel rekening mee houden dat de fiscus successierechten (tot 27 % in Vlaanderen) zal aanrekenen op het volledige kapitaal bij uitkeringen aan erfgenamen. 3. De Stichting Particulier FondsDe Stichting Particulier Fonds (SPF) is in 1988 door de Nederlandse Antillen geïntroduceerd. Het is een alternatief voor de offshoretrust. Terwijl een trust een afspraak is tussen partijen waarbij de trustee het afgestane vermogen beheert, is een SPF een zelfstandige juridische entiteit met een eigen, afgescheiden vermogen. Wat in de SPF is ondergebracht, valt buiten het bereik van de Belgische fiscus. Dat vermogen is bijvoorbeeld niet meer onderworpen aan de successierechten. Een bijkomend voordeel is dat de opbrengsten binnen de SPF onbelast zijn. De SPF kan uitkeringen betalen aan de oprichters of aan personen die de oprichters hebben aangeduid. Een SPF is zeer flexibel omdat u in de statuten een regeling kan voorzien voor de interne taakverdeling, het ontslag van de bestuurders, maar ook voor de manier waarop het vermogen van de SPF wordt geïnvesteerd en waarop de uitkeringen worden betaald. Formeel is het bestuur in handen van zogenaamde trustkantoren, die het nodige papierwerk doen. Dat zijn Antilliaanse kantoren die niets anders doen dan het formele beheer van de SPF's. De oprichters geven dan via een letter of wishes kenbaar wat er met hun vermogen moet gebeuren. Op die manier zijn het de oprichters die de facto de SPF besturen. Een SPF kunt u in België oprichten via gespecialiseerde adviseurs of vermogensbanken. U moet er dus niet fysiek voor naar de Antillen gaan. Een SPF is niet gratis: u betaalt voor de oprichting eenmalig 3000 à 4000 euro en 2500 euro aan jaarlijkse kosten. Het is echter niet allemaal rozengeur en maneschijn. Behalve de kosten zadelt u zichzelf op met een bepaalde structuur. Als u het geld uit de SPF zakelijk wilt investeren in België (bijvoorbeeld een bedrijf overnemen) en u moet aan de fiscus uitleggen dat het geld uit een SPF komt, dan mag u vragen van de fiscus verwachten. In de richtlijn is een zogenaamde 'revisieclausule' ingeschreven. Dit betekent dat de Europese Commissie in 2008 een rapport zal presenteren over het functioneren van de richtlijn. Bij die gelegenheid kan ze aan Ecofin (de ministers van Financiën van de 25 lidstaten) voorstellen het toepassingsgebied uit te breiden. Specialisten verwachten dat ook de ontsnappingsroutes op tafel zullen liggen. Of trusts, stichtingen of vennootschappen dan nog nuttige vluchtvehikels zullen zijn, valt te betwijfelen. Werner Niemegeers, Johan Steenackers, Eric Pompen33 % van de ondervraagden weet dat de richtlijn gaat over vermogen in het buitenland (enquête Cash) 38 % van de ondervraagden weet niet welke producten door de richtlijn geviseerd worden (enquête Cash) 10 % van de ondervraagden zegt genoeg informatie te hebben over de richtlijn. (enquête Cash)