U kent het verhaal wel. De werkgevers zeggen dat het onderwijs onvoldoende voorbereidt op de beroepsloopbaan en onderwijsmensen reageren dat ze geen productievee voor de arbeidsmarkt afleveren. Ze voegen eraan toe dat het bedrijfsleven zelf meer inspanningen moet doen voor vorming en opleiding. Daarmee is de tegenstelling te scherp gesteld, zonder nuancering. Want die bestaat natuurlijk. Meer nog, er is toenadering tussen beide partijen. Met dank aan onder meer viceminister-president Frank Vandenbroucke (sp.a). Hij was bevoegd voor Onderwijs en voor Werk, en kon dus huwelijksconsulent spelen. Hoe dan ook, het manke samenspel tussen onderwijs en industrie is een oud zeer, een oeroud zeer. Volgens het VBO was dat in 1980 al een hot item, dertig jaar geleden dus.
...

U kent het verhaal wel. De werkgevers zeggen dat het onderwijs onvoldoende voorbereidt op de beroepsloopbaan en onderwijsmensen reageren dat ze geen productievee voor de arbeidsmarkt afleveren. Ze voegen eraan toe dat het bedrijfsleven zelf meer inspanningen moet doen voor vorming en opleiding. Daarmee is de tegenstelling te scherp gesteld, zonder nuancering. Want die bestaat natuurlijk. Meer nog, er is toenadering tussen beide partijen. Met dank aan onder meer viceminister-president Frank Vandenbroucke (sp.a). Hij was bevoegd voor Onderwijs en voor Werk, en kon dus huwelijksconsulent spelen. Hoe dan ook, het manke samenspel tussen onderwijs en industrie is een oud zeer, een oeroud zeer. Volgens het VBO was dat in 1980 al een hot item, dertig jaar geleden dus. Wie een beeld wil krijgen van de kwestie dreigt snel te verdrinken in een megastroom van studies en standpunten. Die vloed een beetje ordenen en door het bos de bomen weer proberen te zien, daar ben je een tijdje zoet mee. Goed voor de werkgelegenheid, dat wel. De politieke partijen besteedden in hun verkiezingsprogramma's weer aandacht aan het samenleven van onderwijs en arbeidsmarkt. De keuze van LDD om de leerplicht in het beroepsonderwijs van achttien naar zestien jaar te verlagen, springt het meest in het oog. Een onderwijscurriculum dat meer aandacht besteedt aan ondernemerschap zit stevig in de lift bij onze politici. Stages over en weer, en permanent overleg tussen onderwijs en bedrijfsleven vind je weer in hun voornemens. Net als het doorbreken van het bekende watervalsysteem door een betere studiekeuze. Politici willen vermijden dat jongeren verkeerd kiezen, afhaken, in een andere richting herbeginnen en er het gevoel van mislukking aan overhouden. Het is een evergreen, maar bleef tot nog toe een vrome wens. De recente 'visienota' van de zoveelste commissie vat de koe bij de horens en stelt een drastische hervorming voor. Ze vervangt de traditionele indeling in algemeen, technisch en beroepssecundair onderwijs door een vierspan: 'gezondheid, welzijn en samenleving', 'administratie, handel en economie', 'natuur, techniek en wetenschappen' en 'talen, kunst en cultuur'. Dat moet de overstap van basis- naar secundair onderwijs vloeiender laten verlopen en definitieve keuzes naar later verplaatsen door elke jongere met verschillende belangstellingsgebieden in contact te laten komen. Pas in de tweede graad kiezen de leerlingen voor een richting die naar de arbeidsmarkt leidt of voorbereidt op hogere studies. Die opties lopen gelijk met wat Voka vraagt in zijn beleidsagenda voor de volgende Vlaamse regering. Dat er iets moet gebeuren, staat als een paal boven water. Een recente studie van de KULeuven geeft aan dat steeds meer jongeren het leerplichtonderwijs met lege handen verlaten. In 1999 verliet ongeveer 12,3 procent van de jongeren de school zonder kwalificatie. In 2006 was dat percentage naar 14,5 gestegen. Bij de jongens gaat het om bijna 20 procent. Het onderwijs verdient een slechte evaluatie op dat vlak. Goede punten krijgt het in een recente studie van de OESO over het beroepsonderwijs. België staat er op een mooie vierde plaats na Tsjechië, Slovakije en Oostenrijk. De OESO doet een hele reeks aanbevelingen waarvan er verscheidene in Vlaanderen al geworteld zijn in het denken over onderwijs en arbeidsmarkt. De internationale organisatie vindt het niet aangewezen om de jongere louter en alleen voor te bereiden op de noden van de arbeidsmarkt. Zijn voorkeuren moeten een stem in het kapittel krijgen. Voor de OESO verdelen de overheid, de werkgevers en de student het best de kosten voor het beroepsonderwijs na de secundaire studies, in overeenstemming met de verworven voordelen. Laat de werkgevers hun zeg doen in de curricula en zorg ervoor dat de aangeleerde vaardigheden overeenstemmen met wat nodig is in een moderne werkomgeving, adviseert de OESO. Die vaardigheden moeten jongeren in staat stellen mobiel te zijn op de arbeidsmarkt, levenslang te leren en tegemoet te komen aan de onmiddellijke noden van de werkgevers. Eenzelfde geluid vinden we terug bij Agoria, in de studie Skills for the future, die al van eind 2006 dateert en vooruitblikt naar 2015. De werkgeversorganisatie van de technologische industrie in Vlaanderen leerde van haar leden dat kennis van de hard skills primordiaal is, maar meer en meer gecombineerd moet worden met soft skills. Geen al te specialistische opleiding en niet alleen kennisoverdracht, maar ook ontwikkeling van gewenste vaardigheden en attitudes, poneert de werkgeversorganisatie. Als voorbeelden van soft skills geeft ze: eigen creatief vermogen ontwikkelen, initiatief leren nemen, exploratiekansen grijpen, projectgericht werken in multidisciplinaire teams. Die komen allemaal innovatie ten goede. De technologische industrie kampt al jaren met een tekort aan werknemers. Agoria meent dat het euvel mee te verhelpen is door kinderen al van in de basisschool warm te maken voor wetenschap en technologie. Het gaat er dus niet alleen om het secundair onderwijs te hervormen zodat elke jongere beter naar de richting evolueert die hem of haar het beste ligt. En dus niet voor een technische richting kiest na een mislukking elders. Ook interesse opwekken in de basisschool moet voor Agoria helpen meer leerlingen meteen te doen kiezen voor andere richtingen dan het algemeen secundair onderwijs. De werkgeversorganisatie liet eind 2007 door de Gentse universiteit een onderzoek uitvoeren naar de visie van 16- tot 21-jarigen op industrie, technologie en werk. Ze leerde uit de enquête bij 2049 ondervraagden dat het overgrote deel van de jongeren een bewuste studiekeuze maakt op basis van: interesse, job met toekomst en beroep dat ze willen uitoefenen. Ouders, leerkrachten en vrienden spelen ook een rol in de keuze. De jongeren zien de industrie als de motor voor welvaart, maar hebben er een negatief gevoel bij: geldzucht, vervuiling. Ze beseffen niet dat de industrie oplossingen kan aandragen voor prangende problemen zoals mobiliteit en klimaatverandering. Lezingen en bedrijfsbezoeken in schools verband, die te sporadisch zijn, vormen de belangrijkste eerste ervaringen met de industriële wereld. Vakantiejobs vullen die aan en de Openbedrijvendagen helpen ook. Bedrijven die contact zoeken met jongeren doen dat het best op directe wijze via een brief of telefoontje, e-mail of website van de onderneming. Innovatievere methodes zoals corporate blogging, aanwezig zijn op YouTube of Rock Werchter vallen minder in de smaak. Waarom? De onderzoekers hebben het er zelf het raden naar. De actie 'Ondernemer voor één dag' is een schot in de roos. Ze geeft jongeren de mogelijkheid een dag met de ondernemer van een bedrijf mee op stap gaan. Goede initiatieven om jongeren warm te maken voor de industrie zijn: de komst van een ondernemer op school, de prijs voor het beste technologische eindwerk, stages in de industrie, een 'Openbedrijvendag', deelname aan technologiewedstrijden en een bedrijf als sponsor op een evenement. Let wel, voor dat laatste moeten de jongeren zelf het initiatief kunnen nemen en het gevoel hebben dat zij de werkgever uit vrije wil kunnen contacteren. Om onderwijs en bedrijfsleven beter op elkaar af te stemmen, stelt de OESO voor om technici die hun job verliezen door de economische crisis, in te zetten in scholen. Structureler zouden leerkrachten deeltijds in de industrie moeten werken om hun kennis en kunde up-to-date te houden. Ook dat is een oud zeer. Leerkrachten die de nieuwste technieken niet kennen en in de klas met verouderd materieel moeten werken. Het is dus niet verwonderlijk dat Agoria pleit voor leraren en docenten die over tal van nieuwe vaardigheden beschikken. Het VBO vindt dat onderwijzend personeel daarvoor beter sectorale opleidingen volgt in plaats van stages te lopen in bedrijven, wat moeilijker realiseerbaar is. De werkgeversorganisatie stipt aan dat het onderwijs een vervanger moet vinden voor de leraar-stagiair. Voor de bedrijven, waar een tekort bestaat aan stageplaatsen, betekent de stagiair een belasting. De overheid moet het geld op tafel leggen voor leerkrachten die sectorale opleidingen volgen, benadrukt het VBO. Het poneert dat de sectoren hun geld moeten besteden aan het up-to-date houden van hun werknemers. Daar wringt het schoentje echter volgens een studie van het Steunpunt Werk en Sociale Economie (WSE). Het berekende voor 2005-2006 dat bedrijven in ons land te weinig doen aan de opleiding van hun werknemers als we kijken naar de doelstellingen die de werkgevers zichzelf stelden. De chemische en de financiële sector zijn de enige die de twee doelen bijna bereiken: 1,9 procent van de loonmassa aan opleiding besteden en de helft van de werknemers bereiken. De bouw, de horeca en de landbouw doen het niet goed en Vlaanderen doet het systematisch slechter dan België omdat Brussel veel bedrijven telt die intensief opleiden. Dat allemaal neemt niet weg dat we het beter doen dan het Europese gemiddelde. Raad, heel veel goede raad. En toch blijft er een stevige kink in de kabel tussen onderwijs en arbeidsmarkt, de industrie in het bijzonder. Daarom keurden de Vlaamse regering, de sociale partners en het onderwijs in 2007 de 'Competentieagenda' goed, met als rode draad 'elk talent telt'. Daaruit vloeide voort dat elk van de 73 Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) een ankerfiguur heeft aangewezen die zich toelegt op het samenspel tussen onderwijs en arbeidsmarkt en in contact staat met de VDAB. Die ankerfiguur moet de begeleidingsinstrumenten van onderwijs en VDAB beter op elkaar afstemmen. Elk Regionaal Technologisch Centrum (RTC) heeft drie bruggenbouwers om de doelstellingen te ondersteunen met onder andere stages. Elke provincie heeft een RTC. Het brengt onderwijs en bedrijfswereld dichter bij elkaar via projecten die school en onderneming beter op elkaar afstemmen, bijvoorbeeld voor het gebruik van nieuwe machines, opleidingen voor het gebruik van nieuwe, hoogtechnologische apparatuur, onderzoek, bemiddeling, financiering enzovoort. Elke TSO- en BSO-school kan bij zijn RTC aankloppen voor ondersteuning. Bedrijfsleven en onderwijs hebben elkaar gevonden als het gaat om het opleiden van jongeren die niet alleen uitvoeren, maar zelfstandig denken en hun mannetje/vrouwtje staan in de snel veranderende wereld. De competentieagenda gaat uit van meer synergie tussen ASO, TSO en BSO. Technologie in het algemeen secundair onderwijs en meer talenkennis in het technisch en beroepssecundair moeten daartoe hun steentje bijdragen. Het is de bedoeling leerplichtonderwijs te hervormen om de studiekeuze te optimaliseren. Aftredend minister van Onderwijs en Werk Frank Vandenbroucke (sp.a) startte experimenten in zogenaamde 'proeftuinen'. Het is wachten wat de volgende regering doet met de jongste 'visienota', die het secundair onderwijs drastisch hervormt. De competentieagenda trekt het aantal stages op voor leerlingen en leerkrachten, voor werkzoekenden en hun instructeurs - het 'werkplekleren'. Iedere leerkracht technische en praktische vakken zou om de vijf jaar een stage van minstens een week moeten volgen. Die optie contrasteert met de wens van het VBO om stages voor het onderwijzend personeel te vervangen door het volgen van sectorale opleidingen. De samenwerking met het bedrijfsleven is overigens cruciaal voor het nieuw opgerichte onderwijsniveau voor jongeren die na het secundair onderwijs nog voort willen studeren, maar voor wie de bacheloropleiding te hoog gegrepen is. Werkplekleren kende al interessante initiatieven, zoals die tussen de voedingsmiddelendistributeur Java uit Aarschot en het plaatselijke Sancta-Maria-instituut. Dat beschikt niet over een groot magazijn om de praktijk aan te leren. Een volle dag naar Java lost dat probleem op en daar komen andere samenwerkingsinitiatieven van: heftruckopleidingen, stages, vakantiewerk, effectieve aanwerving. Een tiental ondernemingen volgde Java's voorbeeld. Leerlingen elektromechanica TSO van het VTI in Brugge doen aan werkplekleren bij Mechanische Constructies Watteeuw. In Bree krijgen leerlingen van de omliggende scholen een lasopleiding bij LAG Trailers. Daarvoor richtte het bedrijf een atelier op en de jongeren volgen nadien een dag per week een opleiding, onder begeleiding van uitgekozen werknemers, op een van de vijftien werkplekken die in het bedrijf zijn afgebakend. De 'lassersschool' van Umicore is een begrip. Elk jaar kan een tiental jongeren van het CDO Don Bosco in Wilrijk er een opleiding volgen. Daarvoor maakte Umicore een werknemer vrij. De opleiding is structureel verankerd in het bedrijf. Akzo Nobel organiseert jaarlijks met een zestal andere bedrijven uit de sector een evenement voor alle leraren en alle derde-graadsleerlingen in de schilders- en decoratiescholen. Daarvoor huurt het een grote loods in de Antwerpse haven, waar via een doorschuifsysteem beide groepen een seminariereeks kunnen volgen over nieuwe technieken en materialen. Het Regionaal Technologisch Centrum van Antwerpen biedt, in samenwerking met enkele grote distributeurs, aan alle scholen met TSO-Auto de gelegenheid om de modernste diagnosetechnieken toe te passen op een wagenpark van zo'n 70 eigentijdse modellen. Economie en ondernemen nadrukkelijker in de scholen aan bod laten komen, gebeurt al in 64 proeftuinen 'ondernemend onderwijs' waarbij ongeveer 300 scholen betrokken zijn. Er wordt ook aan gewerkt via 26 brugprojecten tussen onderwijs en economie. Al drie jaar op rij gaat de ondernemerklasseweek door. En niet alleen in de economisch gerichte opleidingen. De breder bekende 'miniondernemingen' en de leerondernemingen van Unizo moeten ook zoden aan de dijk zetten. Unizo maakte daarvoor een 'koffer vol ondernemingszin'. Dat pedagogische instrument voor leerkrachten laat kinderen van vijf tot twaalf jaar op een speelse, maar concrete manier kennismaken met ondernemingszin. (T) Stijl. Op bezoek in de Zwitserse internaten, blz.76 Door Boudewijn Vanpeteghem/illustratie: Ward Zwart