Hoewel het al in de 19de eeuw bestond als een soort serviceafdeling voor de prestigieuze ingenieursschool, schoot het departement Economie van het Massachusetts Institute of Technology(MIT) pas in 1940 echt uit de startblokken. In dat jaar hield Paul Samuelson het immers voor bekeken op Harvard University, die andere mega-universiteit in de Boston-voorstad Cambridge.
...

Hoewel het al in de 19de eeuw bestond als een soort serviceafdeling voor de prestigieuze ingenieursschool, schoot het departement Economie van het Massachusetts Institute of Technology(MIT) pas in 1940 echt uit de startblokken. In dat jaar hield Paul Samuelson het immers voor bekeken op Harvard University, die andere mega-universiteit in de Boston-voorstad Cambridge. De toen pas 25-jarige Samuelson gold op dat moment al, samen met zijn generatiegenoot Milton Friedman, als de golden boy van de economische wetenschap. Samen met Friedman deed Samuelson trouwens zijn licentiaatsstudies aan de University of Chicago. In tegenstelling tot Friedman nam Samuelson afscheid van de stad aan het Michiganmeer. "Gelukkig maar, want het zou mij veel te radicaal gemaakt hebben," zegt Samuelson nu. "Ik wist dat ik niemand anders nodig had om het te maken, zodat de uitdaging om op MIT een volwaardig economiedepartement uit de grond te stampen me wel aansprak," aldus de nooit van zelfzekerheid gespeende Samuelson. Zijn doctoraatsverhandeling Foundations of Economic Analysis (1941) geldt voor velen als hét startpunt van de meer mathematische benadering van de economische analyse. Zijn handboek Economics stond centraal in de vorming van honderdduizenden economiestudenten. De Tweede Wereldoorlog wierp nog even roet in het eten, maar vanaf de tweede helft van de jaren veertig raakte de MIT-trein op kruissnelheid. "Op dat ogenblik waren Harvard, Chicago, Columbia, Yale en Berkeley de toonaangevende departementen economie. Samen met Rupert McLaurin, Robert Bishop, Carey Brown, Max Mullikan, Harold Freeman en Charles Kindleberger slaagde ik erin om een faculteit op te bouwen die een eigen gezicht en een eigen aanpak had." Van dat illustere rijtje liet alleen Kindleberger, op zijn 90ste nog altijd gezond en wel, een publicatiepalmares na om u tegen te zeggen. Vooral zijn analyse van de Grote Depressie van de jaren dertig en van financiële crises in het algemeen behoort tot de klassiekers. Voor alle duidelijkheid: Paul Samuelson deed onderzoek in zowat álle subbranches van de economische analyse. De klassieke Samuelson- papers vallen zelfs op twee handen niet te tellen. In 1950 kwam Robert Solow het MIT-departement economie versterken. Ook hij kwam van Harvard. Het waren de buitenlanders op Harvard die zowel Samuelson als Solow diep beïnvloedden, maar zij hadden weinig macht binnen het departement. De drie meest in het oog springende namen onder die buitenlanders waren Joseph Schumpeter, Wassily Leontief en Gottfried Haberler. "De aanwezigheid van Paul en de bekrompenheid van de mensen die toentertijd de dienst uitmaakten op Harvard maakten de overstap naar MIT voor mij evident," aldus Robert Solow, die een wereldwijde faam verwierf als bevlogen docent. Als grondlegger van het neoklassieke groeimodel is Robert Solow ook in het begin van de 21ste eeuw nog altijd prominent aanwezig in het onderzoek naar economische groei. Samen met Samuelson introduceerde Solow de fameuze Phillips-curve, het kroonjuweel van het keynesiaanse koninkrijk, in beleidskringen. Deze Phillips-curve geeft aan dat er voortdurend een trade-off moet worden gemaakt tussen inflatie en werkloosheid. "Hoewel we onze argumentatie altijd erg genuanceerd hebben gevoerd, moet ik toegeven dat er mettertijd een al te mechanische, en daardoor ook veel te simplistische interpretatie van die Phillips-curve is gaan circuleren." Vanaf de jaren zestig rees de ster van het departement Economie van MIT steeds hoger aan het firmament. De komst van Franco Modigliani in 1961 was daar niet vreemd aan. Modigliani kreeg in 1985 de Nobelprijs Economie. Hij maakte vooral naam op basis van enerzijds zijn levenscyclusmodel van het consumptiegedrag en anderzijds de introductie van monetaire factoren in de keynesiaanse macroanalyse. Niet te vergeten is uiteraard ook het legendarische Modigliani-Miller-theorema, dat stelt dat in een perfecte kapitaalmarkt de waarde van een onderneming totaal onafhankelijk is van de financiële structuur van die onderneming. De Miller van dit theorema is de onlangs overleden Merton Miller van de University of Chicago. Met Samuelson, Solow, Kindleberger en Modigliani als roergangers klom MIT in de loop van de jaren zeventig en tachtig naar de absolute top. In zowat alle deelgebieden van de economie haalde men toppers binnen. Aan de kant van de macro-economie moeten we dan zeker Stanley Fisher, Rudiger Dornbush, Larry Summers en Olivier Blanchard noemen. Qua micro-economische onderwerpen kan men niet voorbij aan Franklin Fisher, Peter Diamond en Jerry Hausman. Op het vlak van industriële organisatie behoren Paul Joskow en Richard Schmalensee tot de wereldtop. Ondertussen kwam en ging 'enfant terrible' Paul Krugman. Zijn hart ligt bij het MIT, maar Princeton University kon zijn vrouw een betere job bieden. Een mens moet kiezen in het leven. JOHAN VAN OVERTVELDT