Geld is niet gratis, en zal dat ook nooit zijn," zegt Frank Lierman, de hoofdeconoom van Dexia Bank. De Belgische langetermijnrente mag dan wel zijn gezakt naar een historisch laag peil (de tienjarige overheidsobligatie biedt nog een rendement van 3,4 %, zie grafiek), de reële rente - en dat is de echte prijs van het geld - is nog altijd positief. Wie dus geld leent, betaalt daar nog altijd een prijs voor, en wie geld belegt, heeft op het einde van de rit koopkracht gewonnen. Rentenieren is weliswaar moeilijker geworden, maar blijft een lucratieve bezigheid.
...

Geld is niet gratis, en zal dat ook nooit zijn," zegt Frank Lierman, de hoofdeconoom van Dexia Bank. De Belgische langetermijnrente mag dan wel zijn gezakt naar een historisch laag peil (de tienjarige overheidsobligatie biedt nog een rendement van 3,4 %, zie grafiek), de reële rente - en dat is de echte prijs van het geld - is nog altijd positief. Wie dus geld leent, betaalt daar nog altijd een prijs voor, en wie geld belegt, heeft op het einde van de rit koopkracht gewonnen. Rentenieren is weliswaar moeilijker geworden, maar blijft een lucratieve bezigheid. De Belgische inflatie is deze zomer wel boven de 3 % gekropen, maar dat is volledig te wijten aan de stijgende energieprijzen. In de rest van de economie ligt de zogenaamde kerninflatie op 1,6 %, of dus bijna 2 % onder de langetermijnrente. "Een reële rente van bijna 2 % is nog altijd royaal en historisch vrij normaal te noemen. De langetermijnbelegger mag niet klagen," zegt Lierman. En omgekeerd, wie geld leent, betaalt dus nog altijd een stevige reële rente, en moet - in koopkracht gemeten - meer terugbetalen dan er geleend is. De belegger mag het geld wel niet parkeren op een spaarrekening, want die veredelde zichtrekening brengt vandaag minder op dan de inflatie. Heel wat economen begrijpen niet dat de Belgen nog altijd 150 miljard euro langzaam maar zeker laten verschrompelen op een spaarrekening, tenzij ze natuurlijk wachten op een hogere rente om het geld te beleggen. Is dat wachten op Godot? De langetermijnrente zit nog altijd gevangen in een nu al jarenoude dalende trend. De bodem onder de rentetarieven wordt nu misschien gevormd, maar niemand verwacht dat de rente de komende jaren sterk zal opveren. Niets wijst in die richting. De rente is de som van de inflatie (of de vergoeding die beleggers vragen voor het verlies aan koopkracht van hun belegging) plus de eigenlijke te betalen prijs om het geld gedurende lange tijd beschikbaar te hebben, en die prijs wordt bepaald door het spel van vraag en aanbod. De inflatie, die is onder controle - beleggers verwachten maar 2 % inflatie in de eurozone en eisen daar dus maar 2 % vergoeding voor. Is de inflatie uiteindelijk lager dan verwacht, dan boeken de beleggers een extra bonus. Is de inflatie hoger dan verwacht, dan is dat leuk meegenomen voor wie in de schulden steekt. De prijs zelf dan van het geld is relatief laag omdat de wereld momenteel verdrinkt in het spaargeld. In Europa zorgt een zwakke conjunctuur en het lage vertrouwen bij bedrijven en gezinnen ervoor dat er maar weinig vraag naar kapitaal is om te investeren of te consumeren. De langetermijnrente is dus laag, omdat de inflatie laag is, terwijl vraag naar en aanbod van kapitaal in evenwicht zijn bij deze relatief lage geldprijs. De huidige lage rente is eigenlijk de gewoonste zaak als je even kijkt naar de monetaire geschiedenis. "Historisch gezien schommelt de langetermijnrente rond 3 % à 4 %, en varieert de reële rente tussen 2 % à 3 %. Dat was zo een eeuw lang tussen 1870 en 1970," zegt Peter Vanden Houte, hoofdeconoom van ING België (zie tabel: Rendement op overheidsobligaties in historisch perspectief). De rentetarieven van 10 % en meer die ook België in de jaren zeventig, tachtig en zelfs de eerste helft van de jaren negentig van de vorige eeuw kende, zijn een historische uitzondering en vormen dus een verkeerd referentiekader. Economen van Crédit Suisse hebben opgezocht dat het Europese rentepeil de voorbije 250 jaar gemiddeld tussen 2,5 % en 4 % schommelde, oorlogsperiodes niet meegerekend. Simpelweg omdat er tot de jaren zestig nauwelijks sprake van inflatie was. Het papiergeld was ingedekt door goud of andere edelmetalen en behield zijn koopkracht. Dat ging verloren in 1971, toen de Amerikaanse president Richard Nixon de koppeling van de dollar aan het goud ongedaan maakte. De weg lag vrij voor de overheden om zoveel geld te drukken als ze wilden, wat resulteerde in stijgende prijzen én een stagnerende economie, een combinatie die stagflatie werd gedoopt. In het zog van de inflatie ging ook de rente de hoogte in. Het was Paul Volcker, de voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, die in het begin van de jaren tachtig van inflatiebestrijding een topprioriteit maakte. Zowat alle westerse centrale banken, de Europese Centrale Bank (ECB) incluis, waken intussen op een geloofwaardige manier over prijsstabiliteit. Dat beleid bracht de rentevoeten terug naar hun historisch normale niveaus. Zolang de inflatieverwachtingen dus onder controle blijven, eisen beleggers geen premie voor die geldontwaarding en kan de rente laag blijven. Maar is het inflatiespook definitief verbannen? Dat hangt van de discipline van de politici af. "De creatie van (een beetje) inflatie is een heel verleidelijk beleid om de overheidsschuld, en vooral de torenhoge toekomstige pensioenverplichtingen, geruisloos uit te hollen," zegt Peter Vanden Houte. Het alternatief is het opvoeren van de belastingdruk op de werkende bevolking om de factuur van de vergrijzing te betalen en daarom verkiezen politici mogelijk de uitweg die inflatie biedt. Maar dan moeten ze omheen de ECB, die in volle onafhankelijkheid waakt over de prijsstabiliteit. "En om die statuten van de ECB te veranderen, is een democratische meerderheid nodig. De niet-actieven groeien echter snel in getale en hebben baat bij een lage inflatie, kwestie van de koopkracht van hun pensioenrechten en hun opgebouwd vermogen te beschermen. De komende tien jaar zie ik weinig kans op een opstoot van de inflatie."Maar kan de fors gestegen olieprijs de inflatie niet aanwakkeren? Het effect lijkt beperkt en hoogstens tijdelijk. De prijs voor een vat ruwe olie is weliswaar van 30 naar 60 dollar gestegen, maar de inflatie is in de eurozone maar heel beperkt opgelopen (zie grafiek: Wat stuurt de inflatie in de eurozone?). Eind jaren negentig zorgde de stijging van de olieprijzen (van 10 naar 30 dollar per vat) voor een hogere opstoot van de inflatie. Peter Vanden Houte: "Het merkwaardige is dat een stijging van de olieprijzen vroeger alle prijzen deed stijgen. Dat is de jongste vijf jaar helemaal niet meer het geval. De correlatie is vrijwel nul. De olieprijzen hebben vandaag een grotere impact op de groei, en kunnen daarom zelfs een lagere inflatie uitlokken. De verklaring moet worden gezocht in de toenemende internationale concurrentie en het enorme en goedkope arbeidsaanbod dat zich in China en India inschakelt in die globale economie. Bedrijven kunnen stijgende kosten moeilijker doorrekenen in hogere prijzen. Dat maakt het leven van de bedrijven lastig, maar houdt de inflatie onder controle." Ten slotte waakt de Europese Centrale Bank angstvallig over de prijsstabiliteit. Ze weerstaat daarbij aan de politieke druk om de rente verder te verlagen, kwestie van de eigen autonomie te beklemtonen. "Is dat een goede of een slechte reflex? Ik stel vast dat de rente historisch laag is, maar het vreemde van de zaak is dat de lage rente niet zorgt voor een economische opleving," zegt Frank Lierman van Dexia. "De economische malaise is eerder te zoeken in bijvoorbeeld te stroeve arbeidsmarkten dan in een te strak monetair beleid." De lage rente is dus eerder een symptoom van een zieke economie dan het geneesmiddel voor de patiënt. En zegt Frank Lierman: "Omdat de vakbonden over het algemeen meer bezorgd waren over de tewerkstelling, matigden ze de looneisen. Van een kosteninflatie is dus ook geen sprake."Het was precies die bedroevende prestatie van de Europese economie die de rente de jongste jaren een extra zetje naar beneden gaf. De consument hield de knip op de portemonnee door de lage groei en hoge werkloosheid, terwijl de bedrijven over (te) veel productiecapaciteit beschikken. Zij investeren daarom weinig en moeten nauwelijks een beroep doen op de kapitaalmarkten. Veel bedrijven betalen zelfs schulden terug, of kopen aandelen in. Een lagere rente maakt investeren of consumeren in wezen aantrekkelijker, maar de lage rente kan mensen er evengoed toe aanzetten nog meer te sparen, omdat een hoger kapitaal nodig is om dezelfde renteopbrengst te hebben. "We gingen daarom lang uit van een verder dalende trend van de kortetermijnrente, maar zetten dat scenario nu tussen haakjes," zegt Lierman. "Reden: de euro heeft de jongste maanden toch 7 % à 8 % van zijn waarde tegenover de dollar verloren, en dat zorgt voor wat extra zuurstof voor de Europese economie. Daardoor verlaagt de druk op de ECB om de kortetermijnrente verder te verlagen. Die zit dus op een dieptepunt. De langetermijnrente is al wat aan het stijgen, anticiperend op een betere conjunctuur. Er was al een eerste poging (in het voorjaar), nu zit de rente voor de tweede keer wat in de lift."Verwacht echter niet dat de rente meteen door het dak gaat. "Een goede conjunctuur kan de rente tot 4 %, misschien 5 % tillen," zegt Peter Vanden Houte. "De reële rente bedroeg de jongste 150 jaar gemiddeld 3 %, maar dan wel bij een doorgaans hogere groei. Tel daar 2 % inflatie bij en je komt aan het plafond van 5 %. In slechte economische tijden kan de rente echter nog verder zakken."Vanden Houte ziet de nominale groei van het BBP als een goede leidraad voor de hoogte van de langetermijnrente. Tel dus de reële economische groei en de inflatie bij elkaar op, en je krijgt ongeveer de rente. De vergrijzing van de bevolking kan daarom nog eens wegen op de langetermijnrente. Want vanaf 2010 zal door de veroudering de beroepsbevolking beginnen te krimpen, waardoor de economie minder snel zal kunnen groeien. Vanden Houte: "Japan gaf ons een voorsmaakje van de economische gevolgen van een verouderende bevolking: weinig groei en lage rentetarieven."Europa groeit nu al een stuk trager dan de VS en dat uit zich ook in het oplopende renteverschil tussen Europa en de VS. De Amerikaanse langetermijnrente steekt al 125 basispunten boven de Europese uit. "Op zich is dat niet uitzonderlijk, en te verklaren door de verschillende economische prestaties," zegt Frank Lierman. Maar balanceren de wereldwijde kapitaalmarkten niet op een slap koord? Het is heel merkwaardig dat één land (de VS) 80 % van de spaaroverschotten van de rest van de wereld naar zich toe haalt. De VS heeft een enorm handelstekort met het buitenland, de meeste andere rijke landen boeken een handelsoverschot en financieren met de vergaarde dollars het Amerikaanse tekort. Zelfs de snelst groeiende landen exporteren kapitaal, wat zeer merkwaardig is. Normaal gezien is het andersom en stroomt er geld van de rijke landen naar de opkomende economieën. Heel de wereld spaart dus om de VS te financieren. Maar wat als de wereld de Amerikaanse kapitaalhonger niet langer wil stillen? Moet de rente op dat moment niet fors hoger om het evenwicht te herstellen? Zover zijn we echter nog lang niet. Ben Bernanke, lid van de raad van gouverneurs van de Amerikaanse centrale bank, draaide afgelopen lente in een opgemerkt betoog de redenering zelfs om: het is omdat de wereld zoveel spaart en dat geld wil beleggen in de VS, dat de VS een hoog tekort heeft op de lopende rekening, en dat de rente wereldwijd zo laag is. De VS hoeft niet te sparen om investeringen te financieren, het buitenland komt het nodige geld zelf aanbieden. Die gang van zaken kan nog jaren voortduren. Want Europa en Japan zullen door de demografische evolutie niet geneigd zijn om minder te sparen, toch niet als ze een provisie willen aanleggen om de factuur van de vergrijzing te betalen. En omdat het spaargeld niet altijd even productief in de eigen economie geïnvesteerd kan worden, wordt het elders, in casu de VS, belegd. Daan KillemaesEen spaarrekening is vandaag niet meer dan een veredelde zichtrekening. Ze brengt minder op dan de inflatie.