Met de Transsiberië-expres spoort de Brit Stanley Stewart vanuit Moskou naar Bejing en zowat een week later naar Shanghai. Wie deze intrede in de Volksrepubliek onorthodox noemt, trekt allicht grote ogen bij diens traject door China. Stewart slaagde erin vanop de oostkust, waar het nieuwe China bruisend ontwaakt, via een grillige noordelijke route door te stoten naar het onherbergzame westen. Zijn verslag (geschreven met de efficiënte vertelkunst van Paul Theroux, aangevuld met de nuchtere verwondering van Bruce Chatwin) lijkt wel alsof hij uit de jaren negentig terug de tijd inreist. Met zijn reportage borstelt hij een China zoals het zich nog maar zelden aan buitenlanders openbaarde, als een vat boordevol tegenstellingen en anachronismen.
...

Met de Transsiberië-expres spoort de Brit Stanley Stewart vanuit Moskou naar Bejing en zowat een week later naar Shanghai. Wie deze intrede in de Volksrepubliek onorthodox noemt, trekt allicht grote ogen bij diens traject door China. Stewart slaagde erin vanop de oostkust, waar het nieuwe China bruisend ontwaakt, via een grillige noordelijke route door te stoten naar het onherbergzame westen. Zijn verslag (geschreven met de efficiënte vertelkunst van Paul Theroux, aangevuld met de nuchtere verwondering van Bruce Chatwin) lijkt wel alsof hij uit de jaren negentig terug de tijd inreist. Met zijn reportage borstelt hij een China zoals het zich nog maar zelden aan buitenlanders openbaarde, als een vat boordevol tegenstellingen en anachronismen. De titel, De grenzen van de hemel, verwijst naar de Grote Muur. Binnen de ommuring situeerde zich het Hemelse Rijk. Voor Chinezen lag hier niet alleen de bakermat, maar ook het exclusieve domein van de beschaving. Achter de muur lag een barbaarse wereld, waar de gesel van de chaos regeerde. Zelfs vandaag is de uitgestrekte westelijke provincie Xinjiang nog altijd een verbanningsoord. Precies naar die aangebrande oorden reisde Stewart, van Shanghai naar de oever van de Indus, van de ontluikende industriële metropool naar de ascese van een boeddhistisch klooster aan de hoge zoom van Tibet. Net op het ogenblik dat je denkt vat te hebben op de mentaliteit, de aard en de psychologie van de Volksrepubliek en haar inwoners, ontglippen ze je weer. Dat geldt ook voor de politieke schets. Het ene moment merk je de liberalisering, het volgende ogenblik waan je je in de meest verstokte conservatieve hel en wordt de almacht van een ongrijpbare Partij voelbaar. Toch zou een politieke benadering van de Chinese problemen onvolledig blijven. Het conservatisme of de collectieve druk hebben ook andere wortels. Je zal China niet zomaar veranderen door morgen plots de communistische top te vervangen door een democratisch verkozen regering met een heus parlement als waakhond. OPSTAND IN XINJIANG.Het aangename aan Stewarts verslag, is dat hij de politieke zijde enkel impliciet laat doorklinken. Hij neemt een verbale foto en boetseert een journalistieke sculptuur van het onmetelijke land. Hij fungeert daarbij als een camera, die goed getimed ook flashbacks inlast, om toch enige verklaring te geven voor de vaak verbazende taferelen. Af en toe ontkomt Stewart niet aan de politieke toestand. In Kashgar, in de schaduw van Oezbeskistan, Afghanistan en Pakistan komt hij in contact met een nationalistische Oeigoer die de Chinese overheersing in de provincie Xinjiang wil omverwerpen. Begin 1990 had de afscheidsbeweging een oproer beraamd, maar de samenzwering was misgegaan in de bazaar van Kashgar. Tijdens de onderhandelingen om een paard te kopen, ving een tipgever van de Chinese geheime politie voldoende toespelingen op de oproer op. Prompt volgden arrestaties en martelingen. Milities van de afscheidsbeweging bestormden op hun beurt een legerpost en het Bureau voor Openbare Veiligheid. Ze brachten alle Chinese functionarissen om het leven. Maar de verwachte grote opstand bleef uit. De mannen geraakten geïsoleerd in het stadje Aktu, dat hevig gebombardeerd werd. Rellen in Kashgar en elders werden genadeloos de kop ingedrukt.Twee jaar lang bleef het gebied rond Kashgar verboden voor buitenlanders. Pas in 1992 ging ook de grens met Pakistan weer open. Uiteraard is de weerstand niet helemaal gebroken, zo merkt Stewart als een nationalist hem vraagt enkele brieven naar Pakistan te smokkelen.SMEERGELD.De jongste tijd verschijnen ook vertalingen van Chinese boeken, die ons steeds meer inzage verschaffen in het caleidoscopische gebied. Van de ook hier relatief bekende Chinese schrijfster Zhang Jie werd onlangs het autobiografische Mijn moeder vertaald. De lectuur vergt enig doorzettingsvermogen, beschrijft al te emotioneel de fatale ziekte van haar moeder, maar geeft ook een scherp tot schrijnend beeld van de Chinese samenleving. Om in een goed ziekenhuis te geraken, bijvoorbeeld, helpen enkel smeergeld en relaties. Vreemd genoeg verschijnen ook steeds meer kritische boeken van Chinese schrijvers. Ondanks de holle retoriek en de bijwijlen nog bikkelharde aanpak van dissidenten, liberaliseert de maatschappij langzaam. Als uitsmijter tippen we Er is maar één zon, een ironische reportage van dezelfde Zhang Jie over de cultuurshock van enkele Chinese kaderleden bij een bezoek aan Europa. Noem het maar ontspannend en leerzam. Stanley Stewart, De grenzen van de hemel. Atlas, 255 blz., 800 fr. Zhang Jie, Mijn moeder. De Geus, 270 blz., 798 fr. Zhang Jie, Er is maar één zon. Geuzenpocket, 313 blz., 300 fr.LUC DE DECKER