Dit is een pleidooi voor een eenvoudige oplossing voor een klein, maar belangrijk onderdeel van het probleem van de kosten van de vergrijzing. Het is een pleidooi om mensen die willen en kunnen werken, die zelfs werk hebben, ook effectief te laten werken. Volgens de huidige wetgeving mogen die mensen niet werken op straffe van hun pensioen te verliezen. Ik heb het over het verbod voor mensen die gepensioneerd zijn om beroepsarbeid te verrichten als die een jaarinkomen van meer dan ongeveer 12.000 euro per jaar oplevert.
...

Dit is een pleidooi voor een eenvoudige oplossing voor een klein, maar belangrijk onderdeel van het probleem van de kosten van de vergrijzing. Het is een pleidooi om mensen die willen en kunnen werken, die zelfs werk hebben, ook effectief te laten werken. Volgens de huidige wetgeving mogen die mensen niet werken op straffe van hun pensioen te verliezen. Ik heb het over het verbod voor mensen die gepensioneerd zijn om beroepsarbeid te verrichten als die een jaarinkomen van meer dan ongeveer 12.000 euro per jaar oplevert. Dit beroepsverbod werd hoofdzakelijk ingesteld om 'misbruiken' te vermijden. Die misbruiken bestonden in het combineren van een pensioen en een beroepsinkomen. Zoals een werkloze niet mocht werken, moest een gepensioneerde 'rusten'. In een tijd dat de gemiddelde leeftijd voor mannen slechts 68 jaar beliep en de effectieve pensioenleeftijd boven de 60 lag viel er iets voor dat rusten te zeggen. Bovendien was er toen meer dan voldoende aanbod van jongeren op de arbeidsmarkt, zodat oudere werknemers gemakkelijk konden worden vervangen. De tijden zijn echter veranderd: (1) de effectieve pensioenleeftijd en vooral de effectieve duur van de beroepsloopbaan ligt drastisch lager, (2) de gemiddelde levensverwachting is sterk gestegen tot bijna 80 jaar voor mannen en meer dan 80 jaar voor vrouwen en (3) het wordt met de dag duidelijker dat er niet genoeg jongeren zijn om de ouderen te vervangen die op de arbeidsmarkt vertrekken. Ik heb in mijn kennissenkring een voormalige bankbediende die op 49 jaar - na 31 jaar werken - met pensioen is gegaan. Hij is op zijn zeventigste nog in blakende gezondheid en als hij zo oud wordt als zijn naaste familie, zal hij allicht 40 jaar van zijn pensioen hebben genoten. Er is thans veel weerstand tegen het effectief optrekken van de pensioenleeftijd tot 65 jaar. Het heeft inderdaad geen zin om op 65 één scherpe lijn te trekken tussen wel of geen beroepsarbeid. Het heeft veel meer zin om voor een volledig wettelijk pensioen een volledige beroepsloopbaan te eisen van 40, of beter nog 45 jaar, en de pensioenleeftijd daarvan te laten afhangen. Het is ook duidelijk dat bepaalde beroepen (zeelieden, mijnwerkers, beroepsmilitairen, enzovoort) niet gedurende 45 volle jaren kunnen worden uitgeoefend. Voor die beroepen werd steeds een lagere pensioenleeftijd of een kortere loopbaan aanvaard. Eigenaardig genoeg werd voor andere beroepen die een nog kortere beroepsloopbaan hebben, de eis van vervroegde wettelijke pensionering nooit gesteld. Denk maar aan alle categorieën van beroepsatleten. Maar de wereld bestaat niet alleen uit mijnwerkers, zeelieden, beroepsmilitairen en beroepsatleten. Er is een oneindige verscheidenheid van allerlei beroepen die met meer of minder succes tot op een bepaalde leeftijd kunnen worden uitgeoefend. Bovendien is er geen enkele regel die dicteert dat wie één beroep heeft uitgeoefend, ook recht heeft op een volledig pensioen. Beter is een minimale duur van de beroepsloopbaan te eisen voor een volledig wettelijk pensioen. Iedereen kan dan met pensioen gaan wanneer hij wil. Maar wie dat na één jaar volledige beroepsloopbaan doet, krijgt ook slechts een 45ste van een wettelijk pensioen. Het betekent dat vervroegd pensioen automatisch financieel wordt gesanctioneerd. Deze regel roept heel wat weerstand op, maar is op zich volstrekt rechtvaardig. Het kan niet zijn dat iemand die na een verkorte loopbaan afhaakt, hetzelfde pensioen trekt gedurende een langere rustperiode dan iemand die het volledige parcours uitloopt en slechts even van het pensioen geniet. De sanctionering voor vervroegd pensioen kan aanzienlijk worden verzacht door het beroepsverbod voor gepensioneerden af te schaffen. De huidige grenzen die het toegelaten beroepsinkomen vastleggen maken dat de grote massa van gepensioneerde arbeiders en bedienden niet te veel last heeft van dit verbod. Wie slechts deeltijds werkt tegen een vergoeding die het minimumloon niet veel te boven gaat, blijft veilig binnen de inkomensgrenzen. Het is duidelijk dat dit systeem door de loonstijgingen in de loop der tijd steeds meer onder druk werd gezet en vooral dat de sociale zekerheid door dit verbod belangrijke inkomsten mist in de categorie van de hogere inkomenstrekkers. Dit is geen pleidooi voor mensen die al veel hebben en nog meer moeten hebben. Degenen die hun activiteiten absoluut willen voortzetten na hun pensioen organiseren zich in een vennootschap en keren een salaris uit dat binnen de inkomensgrenzen blijft. Op alles wordt er belasting betaald, maar sociale zekerheid alleen op het lage salaris. Niet iedereen die wenst te werken, kan zich echter op die manier organiseren. Aldus verdwijnen een aantal werkwilligen na hun pensioen noodgedwongen van de arbeidsmarkt. Het afschaffen van de inkomensgrenzen zou deze mensen opnieuw in de markt brengen. Het zou ook toelaten de volledige vergoeding mee te betrekken in de sociale zekerheid voor werknemers, die op het onbeperkte loon verschuldigd is. De sociale zekerheid zou er wel bij varen. Dit is een hervorming die aan niemand iets kost en die bijkomende inkomsten opbrengt, vooral voor de sociale zekerheid, maar ook voor de schatkist. Dit is wellicht één punt waarover Vlamingen, Walen en Brusselaars snel een politiek akkoord kunnen bereiken. Wie neemt het initiatief? (T) DE AUTEUR IS PROFESSOR EMERITUS KU LEUVEN. Frans Vanistendael