In het hiernaast beschreven vonnis herinnert de rechtbank eraan dat "de arbeidsovereenkomst van een handelsvertegenwoordiger een overeenkomst is waarbij een werknemer zich er tegen betaling toe verbindt om cliënteel (1) op te sporen (2) en te bezoeken (3), met het oog op het onderhandelen en sluiten van transacties (4), buiten verzekeringen, voor rekening en in naam van één of meer opdrachtgevers". De eerste twee voorwaarden zijn bedoeld om 'sedentaire' bedienden uit te sluiten die op afstand prospecteren (per telefoon, e-mail...). Door het specifiek te hebben over "cliënteel" sluit de wet trouwens ook werknemers zoals medisch afgevaardigden uit. Zij gaan immers niet op zoek naar effectieve of potentiële klanten (patiënten in dat geval). Het vierde punt sluit gewone promotieactiviteiten uit.
...

In het hiernaast beschreven vonnis herinnert de rechtbank eraan dat "de arbeidsovereenkomst van een handelsvertegenwoordiger een overeenkomst is waarbij een werknemer zich er tegen betaling toe verbindt om cliënteel (1) op te sporen (2) en te bezoeken (3), met het oog op het onderhandelen en sluiten van transacties (4), buiten verzekeringen, voor rekening en in naam van één of meer opdrachtgevers". De eerste twee voorwaarden zijn bedoeld om 'sedentaire' bedienden uit te sluiten die op afstand prospecteren (per telefoon, e-mail...). Door het specifiek te hebben over "cliënteel" sluit de wet trouwens ook werknemers zoals medisch afgevaardigden uit. Zij gaan immers niet op zoek naar effectieve of potentiële klanten (patiënten in dat geval). Het vierde punt sluit gewone promotieactiviteiten uit. "Dit vonnis illustreert dat een functiebenaming juridisch niet doorslaggevend is", zegt Céline Hallut, advocate bij de Luikse balie. "Bij een geschil maakt de rechtbank een feitenanalyse van de functie. Zo blijkt dat mevrouw B. niet alleen bestaande klanten bezocht voor promotiedoeleinden, zoals haar arbeidsovereenkomst bepaalde, maar ook nieuwe klanten om transacties mee te sluiten." Bovendien merkt de rechtbank in zijn vonnis op dat "de door de werkgever opgerichte driehoekige verkoopstructuur (producent/groothandelaar/kleinhandelaars) niets verandert aan de functiekwalificatie (...). Mevrouw B. speelde een centrale rol bij klantenprospectie en -bezoek, bedoeld om transacties te sluiten tussen de werkgever en zijn kleinhandelsklanten". Daarom kende de rechtbank haar het statuut van handelsvertegenwoordiger toe. Als vaststaat dat een bediende feitelijk werkt als handelsvertegenwoordiger, heeft hij bij ontslag zonder zwaarwichtige reden recht op een uitwinningsvergoeding. Die wordt geacht de vruchten van zijn werk te dekken - het aanbrengen van klanten - waarvan hij plots beroofd wordt, maar waarvan zijn ex-werkgever blijft profiteren. De wet legt vier voorwaarden vast voor de toekenning van die vergoeding. De medewerker heeft minstens één jaaranciënniteit. Hetcontract wordt verbroken tegen de wil van de vertegenwoordiger. Die voorwaarde sluit een contractverbreking wegens een zware fout van de werknemer en een contractverbreking in onderlinge overeenstemming uit. De handelsvertegenwoordiger heeft een "significant" aantal klanten aangebracht. Het bestaan van een niet-concurrentiebeding bepaalt de bewijslast: het feit dat de werkgever zich vanaf het begin heeft willen indekken tegen eventueel klantenverlies, creëert namelijk een vermoeden van klantenaanbreng. Het is dan aan hem om te bewijzen dat die aanbreng onvoldoende was. In het tegenovergestelde geval is het aan de werknemer om aan te tonen dat hij wel degelijk een significante klantenkring heeft opgebouwd. Concreet onderzoekt de rechter het belang van de klantenaanbreng in samenhang met het product en de sector. Het kan daarbij zowel gaan om nieuwe klanten als om de uitbouw van een bestaand klantenbestand. Dat bewijs kan worden aangebracht via bestelbonnen, klantenlijsten, evaluatieverslagen, doelstellingen, getuigenissen enzovoort. De vertegenwoordiger heeft schade geleden. Als de werkgever kan aantonen dat de contractverbreking de vertegenwoordiger geen schade heeft berokkend, is hij geen schadevergoeding verschuldigd. Hieronder valt het typische geval van de ontslagen vertegenwoordiger die heel wat klanten van zijn ex-werkgever meeneemt naar een concurrent en daardoor geen schade lijdt. In het geval van mevrouw B. oordeelde de rechtbank dat de werkgever de afwezigheid van schade niet kon bewijzen. Zo had mevrouw B. nog altijd geen nieuwe baan gevonden op het ogenblik dat het vonnis werd geveld. Omdat de vier voorwaarden in het geval van mevrouw B. vervuld waren, kende de rechtbank haar een uitwinningsvergoeding toe. Zoals wettelijk bepaald stond de vergoeding gelijk met drie maanden loon, verhoogd met één maand bij het ingaan van elke bijkomende vijfjaarlijkse dienstperiode. Werkgevers die het contract willen verbreken van een bediende die aanspraak kan maken op een uitwinningsvergoeding, kunnen best een minnelijke verbreking voorstellen, besluit Hallut. Aan bedienden die in werkelijkheid de functie van handelsvertegenwoordiger uitoefenen, geeft ze de raad bewijsstukken te verzamelen om hun werkgever te overtuigen van hun eventuele recht op een uitwinningsvergoeding. Caroline Staquet"Een functie-benaming is juridisch niet doorslaggevend"