Een overheid die bepaalde sectoren wil aanmoedigen, zou kunnen denken aan een of andere vorm van selectieve belastingverlaging. Maar nog los van de vraag of dit niet discriminerend is, zorgt zo'n verlaging niet voor een daling van de kosten van betaalde arbeid. Die blijven even hoog. Enkel de werknemers worden er beter van. Zij houden meer over in het loonzakje.
...

Een overheid die bepaalde sectoren wil aanmoedigen, zou kunnen denken aan een of andere vorm van selectieve belastingverlaging. Maar nog los van de vraag of dit niet discriminerend is, zorgt zo'n verlaging niet voor een daling van de kosten van betaalde arbeid. Die blijven even hoog. Enkel de werknemers worden er beter van. Zij houden meer over in het loonzakje. De vraag moet dus anders worden gesteld. Hoe verlaag je de kosten van betaalde arbeid, terwijl de nettolonen gelijk blijven? Dat kan alleen door de werkgevers te subsidiëren. Dergelijke subsidies kunnen rechtstreeks worden toegekend. Maar het kan ook onrechtstreeks. Door werkgevers ervan vrij te stellen een deel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing door te storten naar de Schatkist. De werkgever ziet de kostprijs van de lonen op overeenkomstige wijze verkleinen, terwijl de werknemer er niets van voelt. Hij houdt netto evenveel over. Hij mag het gedeelte van de ingehouden bedrijfsvoorheffing dat niet werd doorgestort naar de Schatkist immers ook verrekenen met de uiteindelijk verschuldigde personenbelasting. Kaart. Sinds de fiscale wetgever deze oplossing gevonden heeft, is er geen houden meer aan. Telkens er ergens een sector in moeilijkheden verkeert en een fiscale aanmoediging verdient, wordt tegenwoordig resoluut de kaart getrokken van de gedeeltelijke vrijstelling van de doorstortingsplicht. Werkgevers die hun werknemers overuren laten presteren en daarvoor een 'overwerktoeslag' betalen, mogen een deel van de bedrijfsvoorheffing in eigen zak houden. Werkgevers die werkzaam zijn in de koopvaardij-, de bagger- en de sleepvaartsector, mogen de bedrijfsvoorheffing die zij inhouden op de lonen van hun 'communautaire zeelieden' zelfs volledig bij zich houden. Ondernemingen waar in ploegen wordt gewerkt, of waar nachtarbeid wordt verricht, zijn er ook van vrijgesteld een deel van de ingehouden bedrijfsvoorheffing door te storten naar de Schatkist. Ter aanmoediging van het wetenschappelijk onderzoek, is al verschillende keren naar dezelfde oplossing gegrepen. Universiteiten en hogescholen moeten tegenwoordig nog maar een peulschil doorstorten van de bedrijfsvoorheffing die zij inhouden op de lonen van hun wetenschappelijke onderzoekers. Erkende wetenschappelijke instellingen genieten een vrijstelling van 50 %. Ook ondernemingen die onderzoekers tewerkstellen, genieten tegenwoordig een ruime mate van vrijstelling. Of de vrijstelling geldt, en hoe hoog ze is, hangt af van de omstandigheden waarin de onderzoekers worden tewerkgesteld en van hun diploma's. Zelfs een bescheiden sector als die van de champignonkweek kan zich straks in een kleine vrijstelling van doorstorting verheugen. Het lapmiddel van de vrijstelling van de doorstortingsplicht is nu zelfs aangewend om de totale loonkosten in de privésector een klein beetje te verlichten. Met ingang van het vierde kwartaal van dit jaar zullen zowat alle werkgevers van de privésector een fractie van de ingehouden bedrijfsvoorheffing bij zich mogen houden. Sporters. En vanaf begin volgend jaar geldt er een riante vrijstelling in de sector van de betaalde sportbeoefenaars. Nog net voor zijn ontbinding heeft het parlement een wet goedgekeurd die voor deze sector in een specifieke fiscale regeling voorziet. Betaalde sportbeoefenaars zullen vanaf volgend jaar lager worden belast op een deel van hun bezoldigingen. Tegelijk zullen hun werkgevers in grote mate worden vrijgesteld van doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. De aanleiding? Veel sportclubs (vooral in het betaalde voetbal) doen een beroep op buitenlandse spelers. Hun bezoldigingen zijn slechts onderworpen aan een bevrijdende bedrijfsvoorheffing van 18 %. Om de lat gelijk te leggen met binnenlandse spelers wordt die regeling afgeschaft voor buitenlanders die langdurig in België aan de slag zijn. Maar aangezien aan veel van die spelers contractueel een nettobezoldiging beloofd is, ongeacht de hoogte van de belasting, dreigt voor veel sportclubs een financiële kater. Het brutoloon van hun buitenlandse spelers moet voor een gelijk blijvend nettoloon veel hoger worden. Dat wordt opgelost door de invoering van een gedeeltelijke vrijstelling van de doorstorting van de ingehouden bedrijfsvoorheffing. Aanvankelijk was in de Kamercommissie een voorstel goedgekeurd om de vrijstelling vast te stellen op 50 %. Dat percentage is nadien vrijwel geruisloos verhoogd naar 70 %. Het resultaat is dat de lonen van betaalde sportbeoefenaars in de nieuwe regeling ongeveer even duur (of - beter gezegd - even goedkoop) zullen zijn als in de bestaande regeling. Alleen is de bestaande regeling (met een bevrijdende bedrijfsvoorheffing van 18 %) uitsluitend van toepassing op 'buitenlandse' sportbeoefenaars. De nieuwe regeling geldt voor alle bezoldigde sportbeoefenaars. Ook als zij inwoner van België zijn. Of dit geen verboden staatssteun is? Daar heeft geen half parlementslid wakker van gelegen. Het Kamercommissieverslag maakt er alleszins geen melding van. De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.Jan Van Dyck