Als een erflater goederen -- zoals een belangrijke som geld -- krijgt in de drie jaar voor zijn overlijden, gaat de fiscus ervan uit die nog deel uitmaken van de nalatenschap op de dag van zijn overlijden. Dat zogenoemde vermoeden leidt tot heel wat discussies met de fiscus, ook als de erfgenamen de aangifte van de nalatenschap correct hebben ingevuld.
...

Als een erflater goederen -- zoals een belangrijke som geld -- krijgt in de drie jaar voor zijn overlijden, gaat de fiscus ervan uit die nog deel uitmaken van de nalatenschap op de dag van zijn overlijden. Dat zogenoemde vermoeden leidt tot heel wat discussies met de fiscus, ook als de erfgenamen de aangifte van de nalatenschap correct hebben ingevuld. Het gaat om een wettelijk, maar weerlegbaar vermoeden. De erfgenamen kunnen dus altijd het tegendeel bewijzen. Maar de fiscus past het vermoeden streng toe. Daardoor bestaat er heel wat rechtspraak over, omdat erfgenamen zich vaak niet neerleggen bij het strenge standpunt van de fiscale ontvanger. Vaak stellen rechtbanken de erfgenamen in het ongelijk, omdat ze het tegenbewijs onvoldoende vinden. Maria is weduwe en heeft naast haar gezinswoning een appartement aan zee. Als ze vaststelt dat haar spaarrekening bijna leeg is, besluit ze het appartement te verkopen. Ze krijgt er 300.000 euro voor. Als ze twee jaar later overlijdt, geven de kinderen de gezinswoning en 150.000 euro op het spaarboekje op in de aangifte van de nalatenschap. De fiscus roept het vermoeden in en raamt het roerend vermogen op 300.000 euro, het bedrag dat Maria twee jaar daarvoor heeft gekregen voor de verkoop van het appartement. De ontvanger vraagt de erfgenamen een extra aangifte van 150.000 euro in te dienen, of het bewijs te leveren dat het bedrag niet meer in de nalatenschap van Maria aanwezig was toen ze overleed. In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, kunnen niet alleen notariële verkoopakten, maar alle akten van eigendom -- zoals aan- en verkoopborderellen van effecten en uittreksels van een bankrekening -- aanleiding geven tot het wettelijk vermoeden. Ook van bedragen die worden uitgekeerd uit een verzekering, een groepsverzekering, een vrij aanvullend pensioen voor zelfstandigen, pensioensparen en langetermijnsparen, wordt verondersteld dat ze drie jaar aanwezig blijven in de nalatenschap. Dat geldt eveneens voor huurinkomsten en zelfs voor de uitbetaling van extra inkomsten, zoals een vergoeding voor een arbeidsongeval of een opzeggingsvergoeding. De erfgenamen mogen het wettelijke vermoeden weerleggen, maar ze moeten daar wel bewijzen voor aanvoeren. Vaak weten ze niet wat er met die geldsommen is gebeurd. Maar onwetendheid inroepen, gaat niet op. In zo'n geval moeten de erfgenamen toch successierechten betalen als niet aan het licht komt waar het geld naartoe is. Een prima bewijs is dat de erfgenamen kunnen aantonen dat een bepaalde som die werd verkregen door de verkoop van een goed, werd herbelegd in een ander goed. Dat bewijs van herbelegging kunnen ze bijvoorbeeld leveren aan de hand van aankoopborderellen van effecten; uittreksels van stortingen op een spaar-, zicht- of beleggingsrekening; facturen van verbouwingswerken; of aankoopfacturen van antiek, een auto of een kunstwerk. Alleen aanvoeren dat de erflater antiek of een wagen heeft gekocht, is niet voldoende. De erfgenamen moeten bewijzen dat het geld echt is gebruikt om die goederen te kopen. Uiteraard moeten die goederen ook zijn opgegeven in de aangifte van de nalatenschap. Vaak voeren erfgenamen aan dat het geld er niet meer is, omdat de overledene het heeft opgeleefd. Dat louter beweren, volstaat niet. Het is dus raadzaam dat de erfgenamen onderzoek verrichten om erachter te komen waar het geld naartoe is. Daarvoor kunnen ze documenten voorleggen zoals dokters- of verplegingsnota's, ziekenhuisfacturen, facturen van buitenlandse reizen of vliegtuigtickets. Of ze tonen aan dat de erflater een karig pensioen had, dat niet volstond om in zijn kosten van levensonderhoud te voorzien. Vaak voeren erfgenamen aan dat het geld er niet meer is, omdat de erflater voor zijn overlijden nog hand- of bankgiften heeft gedaan. Maar dat is geen goed argument. Als een hand- of bankgift van roerende goederen niet is geregistreerd, moeten de erfgenamen successierechten afdragen op die schenking, aangezien er geen schenkingsrechten op zijn betaald. Bij zo'n bank- of handgift moeten sinds de schenking drie jaar zijn verstreken, om successierechten te vermijden. Als de schenker binnen de drie jaar na de schenking ziek wordt, kan de bank- of handgift nog worden geregistreerd tegen het vlakke tarief van 3 of 7 procent in het Vlaams Gewest, of tegen 3,3, 5,5 en 7,7 procent in het Waals Gewest. Enkel een verklaring die is opgesteld en ondertekend door de schenker en de begiftigde -- het zogenoemde pacte adjoint -- kan geldig worden aangeboden. Als er aangetekende brieven zijn uitgewisseld, is het dus belangrijk dat beide brieven worden bewaard. Een klassieke handgift kan de begiftigde wel registreren op basis van een eenzijdig document. Een hand- of bankgift kan worden geregistreerd in elk registratiekantoor. Het speelt daarbij geen rol waar de schenker of begiftigde woont. Een geregistreerde hand- of bankgift is een uitstekend bewijs om aan te tonen waar het geld van de overledene naartoe is gegaan. JOHAN ADRIAENS EN JOHAN STEENACKERSAls een erflater een belangrijke som heeft gekregen in de drie jaar voor zijn overlijden, vermoedt de fiscus dat die nog deel uitmaakt van de nalatenschap.