De Vlaamse regeringsformatie verloopt tergend traag. In die mate zelfs dat hier en daar al gesproken wordt van eind september als deadline. Dat is het moment waarop de nieuwe Vlaamse minister-president zijn of haar eerste Septemberverklaring moet afleggen. De regeringsonderhandelingen moeten voor hun regeerakkoord in elk geval niet van een wit blad beginnen. De voorbije maanden leverde de Sociaaleconomische Raad van Vlaanderen (SERV), het adviesorgaan van de Vlaamse sociale partners, studies af die de richting aanwijzen.
...

De Vlaamse regeringsformatie verloopt tergend traag. In die mate zelfs dat hier en daar al gesproken wordt van eind september als deadline. Dat is het moment waarop de nieuwe Vlaamse minister-president zijn of haar eerste Septemberverklaring moet afleggen. De regeringsonderhandelingen moeten voor hun regeerakkoord in elk geval niet van een wit blad beginnen. De voorbije maanden leverde de Sociaaleconomische Raad van Vlaanderen (SERV), het adviesorgaan van de Vlaamse sociale partners, studies af die de richting aanwijzen. Cruciaal blijkt het ondersteunen van het groeipotentieel. De potentiële groei in België daalt al jaren. Momenteel schommelt die rond 1 procent, terwijl dat vijftien jaar geleden nog 2 procent was. Om die trend te keren, zal Vlaanderen, de groeimotor van België, het verschil moeten maken. Met die groeidoelstelling in het achterhoofd en op basis van de SERV-adviezen kan de volgende Vlaamse regering vier sociaaleconomische prioriteiten stellen. Een paar maanden geleden kondigde toenmalig Vlaams minister van Financiën Bart Tommelein (Open Vld) aan dat de Vlaamse regering tegen het einde van de volgende legislatuur in 2024 een miljard euro extra zou kunnen uitgeven. Ondertussen heeft de SERV die cijfers bijgesteld, en geen klein beetje. Volgend jaar zou er een begrotingstekort van 600 miljoen euro zijn. Als we de uitgaven voor de Oosterweelverbinding erbij tellen (zie kader Discussie over Oosterweel), klokt het tekort af op 1,15 miljard. De schuld zou met 5,3 miljard euro toenemen, waarvan 3,1 miljard direct verbonden is aan de kosten voor de Oosterweelverbinding. De schuldgraad bedraagt nu 46,3 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Bij ongewijzigd beleid bedraagt de Vlaamse schuld 58,3 procent van het bbp in 2024. Dat is zeer dicht bij de bovengrens van 65 procent. Dat het begrotingsevenwicht - al jaren een princiepskwestie voor de Vlaamse regering - verdwijnt, heeft verschillende oorzaken. Zo zullen er minder inkomsten zijn door de tragere groei. Maar het probleem zit vooral aan de uitgavenkant. De Vlaamse uitgaven stijgen van 47,37 miljard euro in 2019 naar 48,25 miljard in 2020 en naar 52,69 miljard tegen het einde van de legislatuur. De belangrijkste oorzaken van die toename zijn de stijgende loon- en werkingskredieten bij Onderwijs en Vorming (+378 miljoen euro dit jaar), Oosterweel (+299 miljoen), het Gemeentefonds (+94 miljoen) en uitgaven voor carbon leakage (+54 miljoen). Dat laatste is overheidsgeld dat vloeit naar multinationals die grootverbruikers van elektriciteit zijn. Het is een manier om die bedrijven hier te houden. Volgens de SERV nemen de Vlaamse uitgaven de komende legislatuur met 2,08 procent toe op jaarbasis. Begin dit jaar stelde de Vlaamse werkgeversorganisatie Voka voor de reële groei van de uitgaven de komende legislatuur te beperken tot 1,4 à 1,6 procent per jaar. Dat is de enige manier om de Vlaamse begroting op langere termijn op koers te houden. Meer nog, Voka pleit ervoor de jaarlijkse uitgavengroei te beperken tot 0,6 procent. De bijna-nulgroei in de uitgaven en extra inkomsten dankzij een beter functionerende economie moeten voor een begrotingsevenwicht zorgen. De rem moet op de uitgaven omdat de volgende Vlaamse regering sowieso meer geld zal moeten vrijmaken voor investeringen ( zie punt 2). Volgens Voka zijn voor 1,8 miljard euro investeringen nodig. Bovendien zou een belastingverlaging van 500 miljoen euro de arbeidsmarkt een impuls moeten geven ( zie punt 4). Zo komen we bij de volgende grote opdracht van de volgende Vlaamse beleidsploeg: de overheidsinvesteringen opkrikken. De vorige minister-president, Geert Bourgeois (N-VA), noemde de vorige Vlaamse regering graag een investeringsregering. Ze stak 2,5 miljard euro in scholenbouw, en 3,7 miljard euro op jaarbasis in openbare werken en mobiliteit. Maar met 2,2 procent van het bbp liggen de productieve investeringen in België al jaren zeer laag. De SERV berekende dat België tussen 10 en 15 procent minder investeert dan de buurlanden. Vlaanderen geeft 5 procent meer uit aan investeringen, maar dat is nog altijd minder dan de buurlanden. Er zijn wel grote verschillen in soorten investeringen. Vlaanderen investeert meer dan de buurlanden in waterwegen en havens. Het heeft ook zijn aanzienlijke achterstand in onderwijsinfrastructuur in tien jaar weggewerkt, dankzij programma's als Scholen voor Morgen. Maar voor investeringen in wegeninfrastructuur hinken we permanent achterop. Tussen 2014 en 2016 was er een inhaalbeweging, maar die stokte in 2017. Vlaanderen zou zijn infrastructuurbudget voor mobiliteit en openbare werken jaarlijks met 100 miljoen euro moeten verhogen. Er zijn ook investeringen nodig om de CO2-uitstoot tegen 2030 met 35 procent te verlagen. Daarin kan de regering bijvoorbeeld een rol spelen met subsidies voor woningrenovaties die de bewoners zelf niet kunnen financieren. Alles bij elkaar moet de Vlaamse regering elk jaar tussen 3 en 12 miljard extra investeren, stelt de SERV. Dat is een gigantisch bedrag, maar die doelstelling is haalbaar indien een soort van investeringsnorm wordt ingevoerd. Dat houdt in dat de overheidsinvesteringen elk jaar sneller groeien dan de lopende uitgaven. Zo ontstaat een verschuiving van lopende uitgaven naar productieve investeringen. 6,7 miljard euro of 2,7 procent van het Vlaamse bbp gaat naar onderzoek en ontwikkeling (O&O). Daarmee is Vlaanderen een van de Europese leiders in innovatie. Enkel Duitsland, Oostenrijk en de Scandinavische landen doen beter. Het aantal innovatieve bedrijven blijft stijgen, maar de O&O-activiteiten zitten geconcentreerd bij multinationale ondernemingen in slechts vier sectoren: farma, chemie, telecom en computerdiensten. De innovatiebasis van de bedrijven is dus beperkt. Nieuwe fiscale stimuli voor O&O kunnen die basis verbreden. Daarnaast zijn overheidsinvesteringen in O&O een hefboom voor bedrijfsinvesteringen. Vlaanderen besteedt nu zo'n 0,89 procent van zijn bbp aan O&O-investeringen. In haar aanbevelingen voor de volgende Vlaamse regering stelt de werkgeversorganisatie Voka dat Vlaanderen bij de wereldtop in onderzoek en ontwikkeling kan komen, als het dat cijfer kan optrekken naar 1 procent. Daar is de komende jaren 500 miljoen euro voor nodig. De SERV pleit er ook voor de wetenschappelijke kennis uit onderzoeksinstituten sneller te doen doorstromen naar ondernemingen. Bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) stonden in februari 291.110 vacatures open, een zoveelste record. De Vlaamse werkloosheidsgraad ligt op een zeer lage 3,5 procent. In Vlaanderen zijn er 3,9 vacatures per honderd bestaande banen. Daarmee is de Vlaamse vacaturegraad een stuk hoger dan in Brussel (3,3) en Wallonië (2,7). Die hoge vacaturegraad is niet alleen een teken van krapte op de arbeidsmarkt door de lage werkloosheid. Hij wijst ook op fundamentele gebreken. Dat er een mismatch is tussen de vraag naar en het aanbod van arbeid is niet te herleiden tot de krimpende groep werkzoekende werklozen in Vlaanderen (213.000). Nog altijd vier op de tien Vlamingen tussen 20 en 64 jaar zijn niet aan het werk. Het gaat onder meer om 263.000 niet-werkzoekende werklozen, 155.000 inactieven en 211.000 tijdelijk niet-werkenden. De hefbomen om die mismatch aan te pakken, zijn in belangrijke mate een federale bevoegdheid. Het gaat dan om het stelsel van de werkloosheidsuitkeringen, de arbeidsflexibiliteit enzovoort. Maar Vlaanderen heeft ook eigen instrumenten om de spanningen op de arbeidsmarkt aan te pakken, zoals het doelgroepenbeleid. Zo kan de Vlaamse regering kortingen op de socialezekerheidsbijdragen toekennen aan ondernemingen die werk bieden aan werklozen uit kansengroepen, zoals 55-plussers en laaggeschoolden. De SERV pleit ervoor die korting ook in te voeren als vervanging voor de aanwervingspremie voor wie langdurig werklozen in dienst neemt. Een andere mogelijkheid is een meer doortastende activering van de werklozen door de VDAB. De SERV heeft het minder over een nieuwe jobkorting waarbij Vlaanderen gebruikmaakt van zijn fiscale autonomie om een belastingverlaging door te voeren. Indien die vooral gericht is op de laagste inkomens kan ze werken aantrekkelijker maken en de werkloosheidsval sluiten. Voka pleitte begin dit jaar voor een jobstimulans, een belastingverlaging die ervoor zorgt dat netto 100 euro meer overblijft van lonen onder 2500 euro bruto. De meeste politieke partijen reageerden toen positief op dat voorstel.