Diverse signalen geven aan dat de dynamiek van de wereldeconomie sinds het tweede kwartaal vertraagt. Ook de VS ontsnapten niet aan de groeimatiging. De groei van de finale binnenlandse vraag verraste er in het tweede kwartaal niettemin positief, wat de hoop op een zelfvoedende groei versterkt. Het eurogebied volgde zoals in vorige cycli de conjunctuurontwikkeling van de VS met vertraging, zodat de groei in het tweede kwartaal steviger was dan in het eerste. Ook daar droeg de finale binnenlandse vraag sterker bij tot de groei. Toch is dat geen voorbode van een autonome conjunctuurcyclus in het eurogebied. Daarvoor is het te afhankelijk van de globale economische dynamiek. De groeivertraging die elders al zichtbaar is, zal zich bijgevolg vanaf het derde kwartaal ook in Europa manifesteren. De opkomende economieën in Latijns-Amerika en vooral in Azië ondergingen ook de algemene groeivertraging, zij het met een nog altijd robuuste binnenlandse vraag. Dat is een van de redenen waarom een dubbele dip van de wereldeconomie onwaarschijnlijk is.
...

Diverse signalen geven aan dat de dynamiek van de wereldeconomie sinds het tweede kwartaal vertraagt. Ook de VS ontsnapten niet aan de groeimatiging. De groei van de finale binnenlandse vraag verraste er in het tweede kwartaal niettemin positief, wat de hoop op een zelfvoedende groei versterkt. Het eurogebied volgde zoals in vorige cycli de conjunctuurontwikkeling van de VS met vertraging, zodat de groei in het tweede kwartaal steviger was dan in het eerste. Ook daar droeg de finale binnenlandse vraag sterker bij tot de groei. Toch is dat geen voorbode van een autonome conjunctuurcyclus in het eurogebied. Daarvoor is het te afhankelijk van de globale economische dynamiek. De groeivertraging die elders al zichtbaar is, zal zich bijgevolg vanaf het derde kwartaal ook in Europa manifesteren. De opkomende economieën in Latijns-Amerika en vooral in Azië ondergingen ook de algemene groeivertraging, zij het met een nog altijd robuuste binnenlandse vraag. Dat is een van de redenen waarom een dubbele dip van de wereldeconomie onwaarschijnlijk is. Het conjunctuurherstel gaat gepaard met groeiende onevenwichten, die op een wat langere termijn een duurzaam herstel bedreigen. Een eerste aandachtspunt is het toenemende tekort op de lopende rekening van de Amerikaanse betalingsbalans, met als spiegelbeeld de oplopende overschotten in China en Japan. Het ziet ernaar uit dat de afname van het tekort tijdens de recessie slechts een cyclisch fenomeen was. De aanhoudend snelle expansie van de uitvoersector in de opkomende economieën is de belangrijkste reden van het toenemen van de externe onevenwichten. Twintig jaar geleden namen de opkomende markten 20 procent van de werelduitvoer voor hun rekening. In 2009 was dat al bijna 40 procent. Vooral opkomend Azië springt in het oog met een verdrievoudiging van zijn aandeel in die periode. De verschuiving is deels te verklaren door het verhuizen van productiefaciliteiten naar lagelonenlanden, maar de toenemende koopkracht van de bevolking in de regio's zelf veroorzaakte dat ook de intraregionale handel een duw in de rug kreeg. De interne regionale groeidynamiek speelt met andere woorden een steeds belangrijkere rol. Het aanzuigeffect van China is daarbij een belangrijke factor. De Aziatische buren konden mee profiteren van de krachtige Chinese herleving. Ook grondstoffenproducenten in Latijns-Amerika en Australië profiteerden van de onverzadigbare Chinese vraag naar grondstoffen en energiebronnen. De klassieke ontwikkelde landen blijven echter een belangrijke afzetmarkt voor de finale goederen en diensten die in de opkomende markten geproduceerd worden. Hierdoor vertonen de VS en de EU grote tekorten op de handelsbalans met vooral de Aziatische regio, en met China in het bijzonder. Het wisselkoersbeleid van de Aziatische landen werkt de toenemende onevenwichten nog in de hand. Geholpen door hun ondergewaardeerde munten tegenover de Amerikaanse dollar, kon de Aziatische uitvoersector het afgelopen decennium spectaculair groeien. Hierdoor werden de VS echter geconfronteerd met een oplopend handelstekort, vooral dan met China. Fricties tussen de VS en China in verband met het Chinese wisselkoersbeleid werden dan ook intenser. De Chinese overheid had de yuan tijdens de wereldcrisis opnieuw aan de dollar vastgeklikt tegen een te lage koers. Door die ondergewaardeerde wisselkoers bleven Chinese producten goedkoop voor consumenten in de Chinese afzetmarkten. Ook de andere Aziatische centrale banken beperkten de appreciatie van hun munten tegenover de dollar, waardoor de onevenwichten tussen de VS en Azië enkel nog toenamen. Naarmate het Chinese (en Aziatische) herstel zich meer manifesteerde, nam dan ook de druk op China toe om het wisselkoersbeleid te versoepelen. De Chinese overheid deed in juni een eerste stap door de yuan opnieuw te laten appreciëren. Gegeven de onzekerheid over de globale groeivooruitzichten moet er op korte termijn echter geen snelle appreciatiebeweging worden verwacht en zullen de Aziatische munten in de nabije toekomst ondergewaardeerd blijven. Toenemende verschillen in de groeidynamiek vormen een ander aandachtspunt. In de VS blijft de eenzijdigheid van het herstel zorgen baren. Dat herstel manifesteerde zich tot dusver vooral in de verwerkende nijverheid, die profiteert van de internationale conjunctuur, en veel minder in de meer binnenlands gerichte dienstensector. Dat is allicht een belangrijke reden waarom de banencreatie in de VS eerder ontgoochelde. Daarnaast is er in toenemende mate een verschil in economische groei tussen de ontwikkelde en opkomende economieën. Dat komt tot uiting in een structureel hoger groeipad van de opkomende economieën en zelfs in een lichte opwaartse inflatiedruk in Azië en Latijns-Amerika. Dat heeft onder meer tot gevolg dat ook het monetaire beleid in de ontwikkelde en de opkomende economieën fundamenteel an-ders is. Ten slotte stellen we in de EMU een sterk verschil vast tussen de kernlanden rond de Duitse economie, die in het tweede kwartaal spectaculair profiteerde van het internationale herstel, en de perifere landen. Dat verschil versterkt het onevenwicht in het eurogebied tussen landen met externe overschotten en tekorten, met als gevolg op termijn nieuwe potentiële financieringsproblemen van de betrokken overheden. Door de onzekerheid over de globale groeivooruitzichten moet er op korte termijn geen snelle appreciatiebeweging worden verwacht van de Aziatische munten.