In het eerste zaaltje van de tentoonstelling "Wenen rond 1900" in het Amsterdamse Van Gogh Museum hangt een doek waarop Eduard Charlemont omstreeks 1880 zijn collega Hans Makart in diens atelier had geportretteerd. Makart zit in een zee van somptueuze oosterse tapijten aan een tafel die met gouden brokaat is bedekt. Hij wilde rond zich alleen maar het mooiste en het beste hebben. Wapens, jachtgerei, kostuums, sieraden en muziekinstrumenten uit alle tijdperken. Ze dienden als requisieten bij nooit geziene feesten, en fungeerden als attributen op schilderijen waar...

In het eerste zaaltje van de tentoonstelling "Wenen rond 1900" in het Amsterdamse Van Gogh Museum hangt een doek waarop Eduard Charlemont omstreeks 1880 zijn collega Hans Makart in diens atelier had geportretteerd. Makart zit in een zee van somptueuze oosterse tapijten aan een tafel die met gouden brokaat is bedekt. Hij wilde rond zich alleen maar het mooiste en het beste hebben. Wapens, jachtgerei, kostuums, sieraden en muziekinstrumenten uit alle tijdperken. Ze dienden als requisieten bij nooit geziene feesten, en fungeerden als attributen op schilderijen waarin de geportretteerden een al even hoge vlucht uit de werkelijkheid konden nemen, en zich flatteus lieten schilderen als Sappho, Cleopatra, of Messalina, die andere Romeinse keizerin. Makart was één van de kunstenaars en architecten die rond 1870 naar Wenen was gehaald om de stad een nieuw aanzien te geven. Hij moest voor de kersverse metropool de gepaste architectuur helpen ontwikkelen. Tijdgenoten als Anselm Feuerbach vergeleken de overdaad van Makart met "een diarrhee", en in 1898 hadden jongeren onder leiding van Gustav Klimt de Secession gesticht, die de meer gestileerde, organische en natuurlijke Jugendstil ontwikkelde. Maar het gebouw dat architect Joseph Maria Olbrich datzelfde jaar voor de vereniging bouwde, mag wel tekenend heten voor de wereldvreemdheid die ook die generatie bleef typeren : het was uitsluitend met dakramen uitgerust, als wilde de tempel enkel maar ruimte laten voor hemels licht. De tentoonstelling "Wenen rond 1900" heeft het verhaal van de schokgolven die Wenen onherkenbaar transformeerden, aan de hand van een dubbele rode draad willen vertellen. Aan de ene kant is er het portret. Aan de andere kant is er de evolutie van het interieur, die bij middel van schilderijen, meubelen, en kleinoden wordt geïllustreerd. Rond schilderijen, grotendeels afkomstig uit de collectie van de Österreichische Galerie in Wenen, staan de voorwerpen opgesteld die uit de vernieuwingsgedachte van de Wiener Werkstätte voortkwamen, van een "futuristische zitmachine" tot een zilveren sierkistje dat Alma Mahler ooit op kerstavond cadeau kreeg. De keuze van die onderwerpen hoeft overigens niet te verwonderen. De intelligentsia van het toenmalige Wenen had zich op een haast ziekelijke wijze afgekeerd van de buitenwereld, om zich binnenskamers in een artificeel paradijs op een esoterische exploratie van de eigen zieleroerselen te concentreren. Dat solipsisme zou bij alweer een volgende generatie haast messiaanse allures aannemen. Een Neukünstler als Oskar Kokoschka had zich in 1910 op een affiche voor Der Sturm op theatrale wijze als een kaalgeschoren gevangene geportretteerd, wijzend naar een imaginaire wond in zijn borst. Een paar jaar later, tijdens Wereldoorlog I, zou de werkelijkheid zich wreken door hem een Russische bajonet op precies dezelfde plek door de longen te steken. Het Oostenrijkse konink- & keizerrijk werd aan het eind van die oorlog opgeheven en verdeeld. Een droom was niet meer. Max Borka Wenen rond 1900, portret en interieur. Tot en met 15 juni in het Van Gogh Museum, Amsterdam. Tel. 0031-20-570.52.00Dora Fournier-Gabillon, geschilderd door Hans Makart, ca. 1880.