Alles lijkt peis en vree aan het front van de Belgische economie: met een economische groei van 2 % en de creatie van 40.000 bijkomende jobs presteert de Belgische economie dit jaar naar vermogen. Maar wie precies geeft onze welvaart dat extra zetje? Zijn het de bandwerkers van Volkswagen Vorst? De loketbedienden van Fortis? De verplegers in het ziekenhuis of rustoord? De ambtenaren in Brussel? De dames aan de kassa van de Colruyt? De boeren op het veld? De zakenadvocaten van Allen & Overy? De onderzoekers van Devgen? Of de textiliens van Manager van het Jaar Philippe Vlerick?
...

Alles lijkt peis en vree aan het front van de Belgische economie: met een economische groei van 2 % en de creatie van 40.000 bijkomende jobs presteert de Belgische economie dit jaar naar vermogen. Maar wie precies geeft onze welvaart dat extra zetje? Zijn het de bandwerkers van Volkswagen Vorst? De loketbedienden van Fortis? De verplegers in het ziekenhuis of rustoord? De ambtenaren in Brussel? De dames aan de kassa van de Colruyt? De boeren op het veld? De zakenadvocaten van Allen & Overy? De onderzoekers van Devgen? Of de textiliens van Manager van het Jaar Philippe Vlerick? De antwoorden liggen begraven in de Nationale Rekeningen. Deze jaarrekening van de NV België toont welke sectoren tussen 1995 en 2005 welvaart en jobs creëerden of vernietigden. In die tijdspanne steeg de Belgische welvaart met ruim een vijfde - voor een goede helft dankzij de stijging van de productiviteit (+11,5 %), en voor een kleine helft dankzij de stijging van de werkgelegenheid (+9 %). Deze welvaartsgroei was wispelturig, met afwisselend magere en vette jaren, en met een trendbreuk rond de eeuwwisseling. De Belgische economie zette immers een sterke tweede helft van de jaren negentig neer, maar was in de periode 2001-2005 weinig meer dan een schone slaapster. Best mogelijk dat de prins op het witte paard haar vorig jaar wakker gekust heeft - de economische groei spurtte naar 3 % - en dat we aan een betere periode begonnen zijn, al is dat wellicht de laatste vóór de vergrijzing en de krapte op de arbeidsmarkt onverbiddelijk zal toeslaan na 2010. Trends polste daarom bij diverse sectoren naar de verwachtingen voor dit jaar en verder. Is er sprake van structurele beterschap? En waar beloven de investeringen welvaart en jobs? Het recente verleden is vaak een goede leidraad. Grafiek 1: winnaars en verliezers van de laatste tien jaar, toont hoe de diverse sectoren het de voorbije tien jaar deden. Op de groene weiden van de rechterbovenhoek is het mals grazen. Die sectoren scheppen én bijkomende banen én extra welvaart. Het gros van de private diensteneconomie en alle zachte sectoren (overheid, onderwijs, gezondheidszorg) horen bij deze structurele winnaars. In de rode hoek vallen de hardste klappen en is de krimp dubbel: tewerkstelling en waardecreatie gaan erop achteruit. De industrie, maar ook de financiële sector, schudde wel personeel van zich af, maar wist intussen toch extra waarde te scheppen dankzij een forse stijging van de productiviteit. Het omgekeerde gebeurde in de horeca: de tewerkstelling steeg, maar de (officieel) gecreëerde welvaart daalde. De dienstensector is de vrij gelijkmatig spinnende motor van de economie. Zelfs als de conjunctuur tegenzit, blijft de dienstensector economische groei genereren (zie grafiek 2: welke sectoren zorgden voor de waardecreatie?). De industrie en de bouw zijn cyclischer van aard. Blinken ze uit, dan wacht er een uitstekend economisch jaar. Laten ze het afwegen, dan dreigt er een recessie. De industrie heeft het sinds 2001 niet onder de markt. Droeg de industrie vóór de eeuwwisseling nog zijn steentje bij tot de economische groei, dan viel de waardecreatie tussen 2000-2005 nagenoeg stil. De sector ontsnapte zelfs aan een krimp dankzij de stijging van de olieprijzen in 2005. Duurdere olie zorgde immers voor een hogere toegevoegde waarde in de raffinagesector, en tilde zo de toegevoegde waarde van de industrie over de nuldrempel. Enkel in topjaren weet de industrie nog banen bij te scheppen (zoals in 2000). In de diensteneconomie valt de jobcreatie pas stil in de slechtste jaren, zoals in 2003 (zie grafiek 3: welke sectoren zorgden voor werkgelegenheid?). De tewerkstelling bij de overheid en in de zachte sectoren (onderwijs en gezondheidszorg) steeg continu, hoe de economie ook presteerde. Het gaat natuurlijk wel om jobs die volledig of gedeeltelijk door de overheid gefinancierd worden, en in wezen dus door de private jobs gedragen moeten worden. Dat is een van de oorzaken dat de belastingdruk op arbeid hoog blijft, en dat de private economie te weinig banen schept. Tussen 1995 en 2005 kwamen er per saldo 344.000 jobs bij (twee derde tot 2000 en slechts een derde na 2000). Tussen 2000 en 2005 kwamen er bijna 100.000 banen bij die geheel of gedeeltelijk door de overheid gefinancierd worden, goed voor een stijging met 7 %. Dat is ruim tienmaal zo snel als in de puur private sector (diensten, bouw en industrie), die in dezelfde periode gezamenlijk amper 0,6 % meer werkgelegenheid bood. België miste dus de boot van de diensteneconomie in deze periode, die geplaagd werd door langdurige laagconjunctuur. Vanaf 2004 is er echter beterschap merkbaar. De sectoren die het meest blootstaan aan de internationale concurrentie - vooral de industriële sectoren - hebben fors geïnvesteerd in producten en diensten met een hogere marktwaarde. De textielsector is daar een mooi voorbeeld van. Banen sneuvelden massaal en ook de totale toegevoegde waarde van de sector daalde, maar wat overbleef staat veel hoger op de waardeladder. De toegevoegde waarde in de textielsector steeg met 58 % tussen 1995 en 2005. Opmerkelijk is ook dat de financiële sector zich de jongste jaren gedroeg als een industriële sector: personeel werd wandelen gestuurd, maar de toegevoegde waarde per werknemer steeg fors (+55 %). Daan Killemaes