Kan een achttienjarige voor een opleiding kiezen die hem/haar zeer gegeerd op de arbeidsmarkt zal maken? Twee voorbeelden tonen aan dat dit niet zo evident is. Peter studeerde in juni 2003 af met een diploma Toegepaste Informatica op zak. Drie jaar eerder was hij aan de opleiding begonnen in de hoop nog voor het einde van zijn studies een reeks jobs aangeboden te krijgen. Dat liep even anders uit. De crisis in de sector maakte dat hij pas na meer dan een jaar een eerste job vond. Niet verwonderlijk, in die periode zat bijna 20 % van de jonge informatici een jaar na het afstuderen nog zonder werk.
...

Kan een achttienjarige voor een opleiding kiezen die hem/haar zeer gegeerd op de arbeidsmarkt zal maken? Twee voorbeelden tonen aan dat dit niet zo evident is. Peter studeerde in juni 2003 af met een diploma Toegepaste Informatica op zak. Drie jaar eerder was hij aan de opleiding begonnen in de hoop nog voor het einde van zijn studies een reeks jobs aangeboden te krijgen. Dat liep even anders uit. De crisis in de sector maakte dat hij pas na meer dan een jaar een eerste job vond. Niet verwonderlijk, in die periode zat bijna 20 % van de jonge informatici een jaar na het afstuderen nog zonder werk. Bea bevond zich in een vergelijkbare situatie als Peter. Als jonge kinesitherapeut raakte ze in dezelfde periode maar moeilijk aan de bak. Terwijl haar collega's vandaag onmiddellijk aan de slag kunnen. Toen Bea afstudeerde, zag ze dat minder en minder jongeren voor die richting kozen. Het aantal studenten in de opleiding kinesitherapie daalde tussen 2001 en 2002 met 14,4 % van 995 naar 851. Dat had voor een belangrijk deel te maken met de negatieve berichtgeving en sombere toekomstperspectieven die de geïnteresseerden voor deze opleidingen mochten horen van de beleidsmakers. Ondertussen is de markt opnieuw gestabiliseerd en zijn kinesisten zeer gegeerd. De twee voorbeelden geven aan hoe snel de posities van jonge afgestudeerden op de arbeidsmarkt kunnen wijzigen. Niet alleen de conjunctuur, ook een verzadiging van de markt voor specifieke profielen kan voor problemen zorgen. Aan de basis van zulke schommelingen ligt vaak de beslissing om voor een bepaalde studierichting te kiezen wanneer er een sterke vraag naar bestaat. Maar dat wil nog niet zeggen dat die vraag een aantal jaren later even groot zal zijn. Trends schuift de rapporten die de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) ter zake de voorbije vijf jaar publiceerde, onder de loep. We stelden tevens een rangschikking op van de opleidingen die de meeste kans op een job geven en de opleidingen die de weg naar de arbeidsmarkt moeilijk maken. We maken alvast het onderscheid tussen de drie types van hoger onderwijs (professionele bachelor, academische bachelor en master aan de universiteit). Een professionele bachelor staat gelijk met de vroegere opleidingen in het hoger onderwijs van het korte type. Ze zijn in de eerste plaats gericht op de beroepspraktijk en bieden een directe uitstroommogelijkheid naar de arbeidsmarkt. Een academische bachelor kunnen we vergelijken met wat vroeger het hoger onderwijs van het lange type was. Nu kan zo'n opleiding zowel zorgen voor een plaats op de arbeidsmarkt als een doorstroming naar de masteropleidingen. De masters zijn zowat de vroegere licenties aan universiteiten en hogescholen (in het kader van een associatie met een universiteit). Jaarlijks maakt de VDAB een analyse van het aantal schoolverlaters in de diverse studierichtingen en de snelheid waarmee ze op de arbeidsmarkt geraken. Een goede methode om de kansen van een opleiding voor de arbeidsmarkt te garanderen, is de jaarlijkse studie die de VDAB uitvoert naar de werkzoekende schoolverlaters in Vlaanderen. Via het restpercentage, dat het aantal jongeren aanduidt dat een jaar na het afstuderen ingeschreven is bij de VDAB en dus nog werkloos is, krijgen we een idee van de opleidingen die al dan niet populair zijn. Ongeveer 15 % van de schoolverlaters is een jaar na het schoolverlaten werkloos. Wel heeft iets meer dan helft van die groep al enige werkervaring opgedaan. We hebben het hier over de cijfers van 2005 (die van 2006 worden pas eind juni gepubliceerd). De werkzoekenden zonder werkervaring bedroegen in 2005 6,7 %. Het spreekt voor zich dat de hooggeschoolden (op wie we ons hier focussen) zich in een veel comfortabelere situatie bevinden. Het restpercentage voor de afgestudeerden hoger onderwijs is 8,6 %. Waarbij de opleidingen van één cyclus, wat nu een professionele bachelor heet, met 8,1 % zich in de meest comfortabele positie bevinden. De twee cyclusopleidingen scoren iets hoger (8,8 %) en de universiteiten klokken op 8,6 % af. Wie voor een professionele bachelor kiest, heeft de meeste kans om snel op de arbeidsmarkt te raken. "Dat is dan ook het meest beroepsgerichte hoger onderwijs," legt Jan Denys, arbeidsmarktspecialist van Randstad uit. "Die mensen hebben al stage gelopen en kennen de jobinhoud goed." Eén zaak valt op: richtingen in gezondheidszorg blijven sterk scoren (zie tabel 1: Top of flop bij professionele bachelors). In 2005 haalde podologie het hoogste restpercentage met amper 5,9 %. Het is een van de groeipolen op de arbeidsmarkt en het gaat zelfs om knelpuntberoepen (zoals verpleging). Het aantal eerstejaars dat voor een opleiding kiest die aansluit bij gezondheidszorg (verpleegkunde, orthopedie, logopedie) blijft toenemen. In 2004 waren er in dat studiegebied 2745 generatiestudenten (eerstejaars). In oktober 2006 was dat aantal al gestegen tot 3342. Ook opleidingen die naar de bouwsector leiden, scoren sterk. Maar dat is uiteraard conjunctureel bepaald en is een mes dat aan twee kanten snijdt. In de richting architectuur scoort interieurvormgeving bijvoorbeeld slecht. Analyse van de VDAB: "Met de sterk gestegen bouwprijzen rest er blijkbaar nog te weinig geld om het interieur vorm te geven en is de concurrentie met de ingenieursarchitecten uit het hoger onderwijs van het lange type of de academische bachelors groot. Landschaps- en tuinarchitecten hebben iets meer uitwijkmogelijkheden en scoren dan ook iets beter dan interieurvormgevers."In communicatiebeheer scoort de optie bedrijfscommunicatie uitstekend. Public relations valt nog net onder de 10 % als restpercentage, maar wie koos voor pers en voorlichting zit vaak met een probleem. Daar ligt het restpercentage op 23 %. Die markt is verzadigd. Alles wat in een hyperconjuncturele of gehypet systeem zit, is het meest gevoelig aan schommelingen in de vraag. Jan Denys: "We stevenen af op problemen met jongeren die communicatiemanagement studeren. De sector is fun, maar velen zullen niet de job kunnen uitoefenen waarvan ze dromen." Een voorspelling die dreigt uit te komen. Het aantal eerstejaarsstudenten communicatiemanagement en journalistiek blijft stijgen van 976 in 2005 naar 1036 in 2006. Ook richtingen in audiovisuele en beeldende kunsten scoren al jaren slecht. Hier zit vaak 30 % of zelfs meer na een jaar nog zonder job. Uit cijfers van de hogescholen blijkt dat het aantal studenten dat voor beeldende kunsten kiest daalt, maar het aantal jongeren dat voor audiovisuele technieken kiest (of het nu fotografie, montagespecialist of de optie cinematografie is) blijft toenemen. "Al die productiehuizen hebben mensen aangetrokken, maar die markt is niet oneindig groot," legt Denys uit. "Als je daarvoor kiest, moet je echt gemotiveerd zijn en weten dat je daar talent voor hebt. Als je goed bent in een bepaalde richting, dan is dát een goede studiekeuze. Collectieve gegevens kunnen nooit volledig voorspellend zijn voor de individuele output."Bij de academische bachelors zijn de resultaten enigszins gelijklopend. Ook hier scoort het studiegebied beeldende en audiovisuele kunst slecht. De richting productontwikkeling vormt al jaren een probleem en zal dat blijven (zie tabel). Vorig jaar schreven zich voor die richting 85 eerstejaars in. Twee jaar eerder waren er dat nog 66. De bouwsector doet het goed, terwijl de kinesitherapie aan een bloeiperiode bezig is. Een situatie die de komende jaren zal aanhouden. De cijfers van de VDAB wijzen ook op een aantal golfbewegingen. Zo doken een paar jaar geleden (2003-2004) de informatici op als een moeilijk te plaatsen groep, terwijl in 2002 iedereen zeer snel aan de slag kon. Toegepaste informatica scoorde in 2004 opvallend slecht. Toen was een kwart van de afgestudeerden na een jaar nog werkloos. In 2003 was toegepaste informatica de populairste richting bij mannen, maar de uitstroom naar de arbeidsmarkt daalde sterk. Een goed voorbeeld van een varkenscyclus: een plotse sterke vraag naar informatici leidt tot een toename van het aantal studenten, wat een aantal jaren later voor een overaanbod zorgt. "Die economische cycli spelen niet alleen in de ICT-sector," herinnert Denys zich. "We hebben dat in het verleden gezien in het onderwijs. Of in de jaren tachtig bij verpleegkunde. Men heeft er toen even aan gedacht om de A2-opleiding af te schaffen. Nu is dat een structureel knelpuntberoep."Die cycli zorgen er wel voor dat het aantal studenten dat vandaag een ICT-gerichte opleiding aanvat, opnieuw te laag is om te voldoen aan de vraag van de sector. De opleidingen die onder de noemer academisch gerichte bachelor vallen en leiden tot een job in de ICT-sector dalen in populariteit. Het aantal generatiestudenten bedroeg daar in 2004 nog 1467. Nu is dat gedaald tot 1381. Dat lijkt een klein verschil, maar cijfers van Eurostat aan tonen aan dat het aantal twintigers met een wetenschaps-, wiskunde- of technologiediploma in België eerder aan de lage kant ligt (zie grafiek). In 2006 raamde Agoria het aantal ICT-vacatures op de arbeidsmarkt op zo'n 13.000. Agoria legt er de nadruk op dat bedrijven niet alleen informaticaspecialisten zoeken. Zij zoeken ook jongeren die bijvoorbeeld een industrieel productieproces of de financiële stromen in een bank kunnen begrijpen om programma's op maat van die bedrijfstakken te ontwikkelen. Bij de universitaire opleidingen blijft gezondheidszorg het opvallend goed doen. Tandheelkunde staat bovenaan op de lijst en zal dat nog een tijd blijven, ondanks de vele eerstejaars. Hun aantal steeg op drie jaar tijd met 40 % naar 81. Opvallend zijn ook richtingen als medisch-sociale wetenschappen, die restpercentages halen van amper 2,2 %. Dat is een groeiniche bij uitstek. De vraag naar kaderleden in ziekenhuizen die een volwaardige economische activiteit aan de dag leggen, zal alleen maar toenemen. Wel moet de opleiding dierenarts speciaal worden vermeld, waar de interesse blijkbaar niet meer toeneemt. De jobkansen verhogen dus. Het restpercentage nam in 2005 dan ook licht af tot 15 % (het kwam van 18 %). Maar een paar jaar geleden lagen de restpercentages nog onder de 10 %. Ook hier treedt een verzadiging op. Dat geldt ook voor de universitaire opleiding biologie. In het studiegebied wetenschappen halen de andere richtingen nochtans goede resultaten. De toegepaste wetenschappen (de burgerlijk ingenieurs) blijven over de conjuncturele tendensen heen goed scoren. Over alle universitaire richtingen heen, doen toegepaste wetenschappen, rechten en economische wetenschappen het steevast uitstekend. Rechten blijft een brede waaier van mogelijkheden bieden. Denys: "Rechten en economie zijn generiek. Ze zijn dus minder gevoelig voor sterke schommelingen. Belangrijk bij een studierichting zijn ook de uitwijkmogelijkheden. In Nederland gaat men bijvoorbeeld na hoe groot de kans is dat je aan de bak raakt als je niet in een aansluitend beroep terecht komt. Rechten wordt nooit of zelden door een varkenscyclus beïnvloed."Het aantal generatiestudenten in de rechten blijft stijgen (op twee jaar tijd van 1865 naar 2055). Hetzelfde geldt voor economische en toegepaste economische wetenschappen (van 1576 naar 1911). Dat richtingen als politieke en sociale wetenschappen of geschiedenis niet aan populariteit inboeten ondanks de beperkte kansen op de arbeidsmarkt, doet vermoeden dat hier een blijvend reservoir van moeilijk te plaatsen studenten zal blijven bestaan. Dat bepaalde richtingen ook op universitair niveau beter scoren dan andere, heeft gewoon te maken met het watervalsysteem dat ook in het hoger onderwijs doorwerkt. In het middelbaar onderwijs wordt met het watervalsysteem bedoeld dat jongeren in het ASO starten, maar dat een aantal onder hen door een gebrek aan capaciteiten uiteindelijk in het beroepsonderwijs belandt. Bovendien zijn ze volledig gedemotiveerd. Het ware dus beter geweest ze direct naar het technisch of beroepsonderwijs te sturen, waarna ze snel op de arbeidsmarkt terechtkomen. Voor het hoger onderwijs geldt hetzelfde. Dat studenten naar bepaalde richtingen met minder kansen op de arbeidsmarkt worden geloodst, heeft ook te maken met een aantal oneigenlijke elementen. Enkele voorbeelden: niet te veel wiskunde, statistiek valt weg, ... Zo wordt geopteerd voor een richting en dus een diploma die minder gegeerd zijn op de arbeidsmarkt. Uiteraard moet men voorzichtig zijn met het interpreteren van de percentages die betrekking hebben op het geringe aantal schoolverlaters. De VDAB-cijfers zeggen ook niets over de aard van het werk dat afgestudeerden aannemen (statuut, aansluiting bij studies, salaris, promotiekansen,...). Kiezen voor een richting op basis van interesse en talent is en blijft het belangrijkste criterium. Arbeidsmarktspecialisten beklemtonen dat het diploma nog steeds het eerste selectiecriterium is, maar nadien spelen de persoonlijkheidskenmerken wellicht een grote rol. Het belang van laatstgenoemde elementen neemt zelfs toe. Sommige afgestudeerden solliciteren te eng. Ze denken te vaak in termen van de onmiddellijke jobmogelijkheden die aansluiten bij hun diploma. "Het evolueert wel in de goede richting," aldus Denys. "Jongeren zijn gemiddeld genoeg iets beter voorbereid, maar dat heeft ook te maken met de arbeidsmarkt die transparanter is geworden. Er zijn dus meer spelers die hierover communiceren: VDAB, kranten, internet,... Wij wisten vroeger niet hoe hoog de lonen in de privésector waren. De enige referentie waren overheidslonen. Er is uiteraard nog een weg af te leggen hoe je een studierichting moet kiezen. Heel beredeneerd zijn studierichtingen niet altijd."Volgens Denys moet een jonge werknemer in de opbouw van zijn loopbaan kiezen tussen twee fundamentele opties. Het codewoord daarbij is employability, zeg maar een ruime inzetbaarheid. "Je moet gekwalificeerd zijn, zodat je je kan verkopen op de arbeidsmarkt. Als je je job verliest, moet je iets anders kunnen doen. De eerste optie is een specialist worden in een duidelijk omlijnd vakgebied. Bijvoorbeeld arts. Wie daarvoor kiest, weet dat hij dat de rest van leven wellicht zal blijven doen. Employability betekent dan vooral bijblijven. Een andere optie is kiezen voor een opleiding met brede kwalificaties. Je kunt, bijvoorbeeld, zowel een commerciële functie invullen als een hrm-taak opnemen. Dan moet je gemakkelijk iets kunnen bijleren." Daar ligt volgens arbeidsmarktspecialisten het probleem bij sommige professionele bachelors. Zij zijn beperkter opgeleid. Op korte termijn is dat een goede zaak, maar er is te weinig onderzoek naar wat er op lange termijn kan gebeuren. Als hun vaardigheden plots niet langer gewenst zijn, is dat een probleem. Vandaar dat een werknemer naast de competenties die hij via zijn opleiding heeft vergaard, ook rekening moet houden met andere capaciteiten. Kwaliteit van de arbeid heeft, naast kwalificatieniveau, nog een aantal andere dimensies, zoals complexiteit van de taken, omgaan met de gevarieerdheid aan taken, autonomie en sociale contacten. En dat leer je nu eenmaal niet alleen op school. Alain Mouton alain.mouton@trends.be