Is er een betere definitie van inefficiëntie?" Het oordeel van Johan Albrecht, professor milieu-economie aan de Universiteit Gent en senior fellow bij het Itinera Institute, over de energietransitie is hard. "We willen een hernieuwbaar systeem, mét een fossiele back-up, én daartussen een gigantisch opslagsysteem. Dat zijn dus drie energiesystemen: een enorme overcapaciteit. Elk van die drie systeemcomponenten wordt per definitie weinig gebruikt, en is zeer duur. En intussen zijn de prijzen structureel te laag om investeringen uit te lokken." De Gentse professor staat niet alleen met zijn kritiek. Ook de energiesector maakt zich grote zorgen.
...

Is er een betere definitie van inefficiëntie?" Het oordeel van Johan Albrecht, professor milieu-economie aan de Universiteit Gent en senior fellow bij het Itinera Institute, over de energietransitie is hard. "We willen een hernieuwbaar systeem, mét een fossiele back-up, én daartussen een gigantisch opslagsysteem. Dat zijn dus drie energiesystemen: een enorme overcapaciteit. Elk van die drie systeemcomponenten wordt per definitie weinig gebruikt, en is zeer duur. En intussen zijn de prijzen structureel te laag om investeringen uit te lokken." De Gentse professor staat niet alleen met zijn kritiek. Ook de energiesector maakt zich grote zorgen. Eerst het goede nieuws. 100 procent groene energie in België is in principe technisch mogelijk (zie kader Helemaal groen). Dat blijkt toch uit de 'backcasting'-studie die de onderzoeksinstellingen VITO, Icedd en het Federaal Planbureau eind 2012 presenteerden. Uiteraard kleeft daar een prijskaartje aan vast, weet medeauteur Wouter Nijs. Nijs vormde anderhalve maand geleden zowat de enige positieve noot op een bijeenkomst van de reflectiegroep Energie van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten. "We zijn helemaal verkeerd bezig", vindt professor William D'haeseleer van het KU Leuven Energie Instituut. "We maken een aantal fouten almaar opnieuw: kosten zijn niet hetzelfde als prijs, en de kosten op korte termijn zijn niet dezelfde als die op lange termijn. Toekomstscenario's zijn geen voorspellingen, maar denkoefeningen." Want de toekomst oogt voorlopig minder groen dan gedacht. De meeste specialisten en onderzoekscentra gaan ervan uit dat ook in 2050 nog 60 tot 75 procent van onze wereldwijde energiebevoorrading gebaseerd is op fossiele brandstoffen. Daar zijn goede redenen voor. In China en India openen elke week drie nieuwe steenkoolcentrales. Ook Duitsland, dat kernenergie bant uit zijn productiepark, bouwt nieuwe steen- en bruinkoolcentrales. Met een geschatte levensduur van 40 jaar voor de centrales en de grote beschikbaarheid van steenkool valt te verwachten dat kolen ook na 2050 een stevig deel van de mondiale energiemix uitmaken. Bovendien is het lang niet zo vanzelfsprekend om naar 0 procent fossiele brandstoffen te gaan. Want dat betekent dat we afhangen van zogenoemde intermittente brandstoftypes: wind en zon zijn niet altijd actief, dus moet er ook een back-up zijn. "Wat we de jongste twintig jaar met zijn allen volkomen uit het oog zijn verloren, is de systeemintegratie, en de kosten die daarmee gepaard gaan", waarschuwt D'haeseleer. "De meeste studies werken met energiepakketjes: een blokje groen, een staafje gas enzovoort. Maar over het evenwicht op het net en de flexibiliteit staat er doorgaans weinig in." Elke studie hanteert hypothesen, maar het antwoord op de vragen of we in 2050 nog altijd een zwaarwegende staalnijverheid hebben in België (die nodig is om de massale elektrische overproductie met de veronderstelde waterstof-gebaseerde verschuiving door te voeren, nvdr), en hoe de brandstofprijzen evolueren, bepaalt veel van het antwoord. De verwachte baten van deze of gene energiesoort zijn dan weer zeer moeilijk objectief in te schatten. De lijst van onzekerheden is lang. Veel voorspellingen die de jongste jaren voor 2020 zijn gemaakt, blijken de bal grondig mis te slaan, dus is de kans dat die voor 2050 wél juist zijn, niet groot. De voorspellingen vormen niet het enige probleem. Ook met de marktwerking loopt het grondig fout. Idealiter werkt die op basis van prijzen en kosten, zeer efficiënt op korte termijn. Johan Albrecht ziet echter drie grote mankementen. Ten eerste staat er momenteel geen prijs op CO2, waardoor de markt investeringen in CO2-reductie niet beloont. De grote industrielanden vinden daarover geen akkoord. Ten tweede is er de oversubsidiëring van fossiele energie. Jaarlijks gaat 544 miljard euro naar fossiele brandstoffen, vooral in Rusland en Zuid-Amerika. Maar ook de Europese Unie verlengde recentelijk haar subsidieregime voor kolen tot 2018. Ten slotte is er de historische onderinvestering in energiegerelateerd onderzoek en ontwikkeling. Een marktprijs stimuleert immers alleen mature technologie. Radicale innovaties hangen af van een aanbodgestuurd technologiebeleid. En dat zijn we vergeten in het rijke Westen. In 1980 ging zowat 12 procent van alle O&O-budgetten naar energie, nu nog 2 procent. China heeft intussen iedereen voorbijgestoken, en is nu goed voor de helft van het wereldwijde energieonderzoek. Het gevolg is uiteraard dat de pijplijn van nieuwe energietechnologieën in Europa opdroogt. "Ruwe schattingen over de 'optimale' O&O-uitgaven gaan uit van 50 tot 100 miljard euro per jaar. Het huidige budget varieert tussen 12 en 15 miljard euro", weet Albrecht. "We geven wel veel geld uit: 544 miljard subsidies aan fossiele brandstoffen, 101 miljard euro voor alles wat met hernieuwbare energie te maken heeft, waarvan 57 miljard in de Europese Unie, en 20 miljard euro in Duitsland alleen. Tegen 2035 zou 220 miljard euro naar hernieuwbare energie gaan." Evenmin zorgt Europa voor schaalvoordelen. In plaats van een coherent beleid van langetermijninvesteringen te bepleiten, zijn de lidstaten vrij in bijvoorbeeld de manier waarop ze hun klimaatdoelstellingen halen. Dat is een vrijgeleide voor versnippering en inefficiëntie. Maar zonder een Europese energieregulator en een Europese netwerkbeheerder hoeven we weinig concrete maatregelen te verwachten. "Maar daarvoor is eerst een wettelijke basis nodig die toelaat Europese beslissingen te nemen, en dat ligt politiek zeer moeilijk", stelt Daniël Dobbeni, voorzitter van het Vlerick Energy Centre en oud-topman van de hoogspanningsnetbeheerder Elia. De conclusie van dit alles is een Europa dat een donquichot is in de G8 en G20. De huidige beleidsversnippering, zonder een sturende CO2-prijs, zonder onderzoek naar betere energietechnologieën en zonder doelstellingen voor na 2020, sluit een ambitieus klimaatbeleid uit. Alle afzonderlijke maatregelen kunnen wel de factuur van energie verhogen, terwijl de Europese industrie nu al aankijkt tegen een kostenhandicap van 130 miljard euro per jaar in vergelijking met de Verenigde Staten, die profiteren van de voordelen van schaliegas. Nog lastiger is dat de technologie die alle problemen in één klap kan oplossen, niet bestaat (zie kader Het wondermiddel bestaat niet). Voorstanders van hernieuwbare energie wijzen erop dat de groene technologieën veel onzekerheden wegnemen. Frank Coenen, topman van InControl, dat de offshorewindparken Belwind en Northwind opleverde: "De kostprijs van de productie ligt voor vele jaren vast. Bovendien worden we onafhankelijk van prijsfluctuaties, leveringsonzekerheid, internationale spanningen, ongevallen, milieuproblemen en schaarste. En je weet dat de marginale kosten van productie met deze technologieën in de toekomst uiterst laag zijn." Maar koken kost geld en een beleid uitstippelen en alle betrokkenen op één lijn krijgen, is zeer moeilijk. "De logica van de energietransitie -- met een dalende vraag naar energie -- is dat we tegen de energiebedrijven zeggen dat ze fors moeten investeren in nieuwe technologie om hun eigen markt te vernietigen. En tegen de consumenten zeggen we dat we zwaar moeten investeren om minder en groene energie te verbruiken, en finaal toch meer te betalen. Want de factuur van de toekomst hangt niet af van je verbruik, maar van de capaciteit van je installaties", beschrijft Albrecht. "De prijzen zijn zo laag dat ze geen investeringen uitlokken. We hebben een duurzamer model van marktwerking en economische planning nodig. En dit is misschien het positieve: we moéten daarover wel nadenken." Albrecht mikt op een model dat gebruikmaakt van de marktkrachten. Denk aan een jaarlijks stijgende CO2-taks, waarvan de inkomsten uitsluitend naar loonkostenverlagingen gaan. Subsidies zouden alleen nog kunnen voor nieuwe technologie, innovatie en infrastructuur. Mature technologieën moeten onderling concurreren. Nijs merkt wel op dat het belangrijk is het debat over toekomstige technologie niet te laten beïnvloeden door de historische kosten. "De SERV stelt een stijging van de elektriciteitsprijs met 30 procent voorop. Dat cijfer is wellicht juist, maar heeft weinig tot niets te maken met keuzes voor de toekomst, eerder met het dekken van subsidiekosten van de investeringsgolf van drie, vier jaar geleden." Het meest waarschijnlijke scenario is dat we steeds meer hernieuwbare energie integreren in onze energiebevoorrading, maar dat we de komende decennia in Europa toch nog een flinke dosis fossiele en/of nucleaire energie blijven gebruiken. De precieze mix is echter een beleidsbeslissing. "Ik ken weinig mensen die mee kunnen redeneren over 30 of 40 jaar", merkt Coenen op. "Bovendien is er geen overzichtelijke dialoog over een geïntegreerd beleid over alle facetten van het probleem. Zonder een beeld van zowel productiecapaciteit, transport, organisatie van het verbruik en opslag, is een strategie uitwerken onmogelijk." Coenen trekt de problematiek ook verder open. "Er is bijvoorbeeld een ongehoord groot potentieel aan te beheren opslagcapaciteit, namelijk het functioneren van onze industrie zelf. Waarom laten we niet meer grootverbruikers toe hun productieritme gelijk te schakelen met een van hun belangrijkste kosten, zijnde energie? Faciliteer waar nodig en nuttig nachtwerk, zonder al te veel kosten, dan los je een groot deel van het opslag- en transportprobleem op." Omdat elk complex probleem nu eenmaal een politiek gezien eenvoudige oplossing heeft die evenwel tot niets leidt, is er nood aan een coherente visie. Die ontbreekt echter. België liberaliseerde als een van de eerste landen zijn energiemarkt, maar echt goed voorbereid kon je de operatie niet noemen. De btw-verlaging op elektriciteit die de regering-Di Rupo invoerde -- en die de volgende bewindsploeg wellicht opnieuw afschaft -- vloekt met elk idee om energie-efficiëntie te promoten. "Ik vind dat we soms te snel schieten op politici", zegt Daniël Dobbeni. "De situatie verandert veel sneller dan zij kunnen voorzien. Wie had de opkomst van schaliegas voorspeld? Of Fukushima? Het zou me toch verwonderen dat GDF Suez, E.ON, RWE en andere ondernemingen gascentrales bouwen of moderniseren in de wetenschap dat die vervolgens stil gaan liggen. En het is niet eenvoudig iedereen op dezelfde lijn te krijgen, want de economische belangen van partij A zijn niet die van partij B." Toch is Nijs niet pessimistisch. "Iedereen beseft dat er een duidelijke langetermijnvisie moet komen, dat is de eerste stap. De doelen liggen nog niet vast, maar het besef dat niemand op zijn eiland kan blijven, begint door te dringen." LUC HUYSMANS"Wat we de jongste twintig jaar met zijn allen volkomen uit het oog zijn verloren, is de systeemintegratie, en de kosten die daarmee gepaard gaan" William D'haeseleer "We zeggen tegen de energiebedrijven dat ze fors moeten investeren in nieuwe technologie om hun eigen markt te vernietigen" Johan Albrecht