De voorbije maanden werden we in dit landje verblijd met twee uitzendingen van de Goed Nieuws Show. Voor de eerste was minister van Begroting Herman Van Rompuy (CVP) verantwoordelijk. Tijdens de tweede werd de show gestolen door Fons Verplaetse, tot 1 maart gouverneur van de Nationale Bank van België ( NBB).
...

De voorbije maanden werden we in dit landje verblijd met twee uitzendingen van de Goed Nieuws Show. Voor de eerste was minister van Begroting Herman Van Rompuy (CVP) verantwoordelijk. Tijdens de tweede werd de show gestolen door Fons Verplaetse, tot 1 maart gouverneur van de Nationale Bank van België ( NBB). Van Rompuy pakte uit met een totaal overheidstekort van slechts 1,3% van het bruto binnenlands product (BBP). "Na de budgettaire grand cru 1997 een even opmerkelijk resultaat in 1998," zo pochte de minister. En tijdens de voorstelling van het jaarverslag van de NBB stelde Verplaetse dat, als de matiging ook tijdens de volgende legislatuur zou worden aangehouden, België opnieuw een periode van "zeven vette jaren" zou induiken. Dat het overheidstekortde jongste jaren inderdaad is gedaald - zoals de minister van Begroting beweert -, kan niemand ontkennen: de nettofinancieringsbehoefte van de Belgische overheid daalde tussen 1994 en 1998 van 4,8% van het BBP naar 1,3%. "De beste prestatie ooit uit de Belgische begrotingsgeschiedenis," zo deelde Van Rompuy trots mee. Allicht in de euforie van het moment ging de minister voor de totale overwinning. Zo claimde hij ten eerste dat de totale fiscale en parafiscale druk tijdens deze legislatuur (1994-1999) niet was toegenomen. Neen, integendeel: hij was zelfs lichtjes gedaald. Ook zou de electoraal niet onbelangrijke personenbelasting in 1998 zijn afgenomen met 40 miljard frank. Ten tweede merkte de minister tevreden op dat "de vermindering van het tekort met 3,5 procentpunt op vijf jaar tijd volledig was toe te schrijven aan de vermindering van de uitgaven". Herman Van Rompuy zit met zijn overwinningskreten twee keer fout.Meer belastingverhogingenDat de minister van Begroting uitpakte met de bewering dat de fiscale (BTW-heffingen, personenbelasting...) en parafiscale druk (sociale bijdragen) tijdens deze legislatuur lichtjes was gedaald, leek ons - op basis van de imposante lijst belastingverhogingen van de jongste jaren - sowieso merkwaardig. Er was de aanvullende crisisbelasting (+3%, 1993), de niet-indexering van de belastingschalen (vanaf 1993), de bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid (ingevoerd medio 1994, aangepast begin 1996), de geleidelijke verhoging van de roerende voorheffing (van 10% in 1990 tot 15% begin 1996), het eurovignet (1995), de accijnscompenserende heffing (1996), de gewestelijke water- en milieuheffingen, de verhoging van het BTW-basistarief van 19% naar 21% (1996), de verhoging van diverse accijnzen en flink snoeiwerk in de fiscale aftrekposten. Maar omdat we absoluut zeker wilden zijn van ons stuk, doken we enkele weken in de Belgische statistieken en begonnen te rekenen...Bij het analyserenvan de evolutie van de fiscale druk moet men twee aspecten uit elkaar houden: enerzijds is er de belastbare basis, anderzijds het tarief waartegen deze basis wordt belast - de impliciete belastingdruk. Dat beide begrippen niet met elkaar mogen worden verward, maakt het volgende voorbeeld duidelijk. Stel dat het BBP gelijk is aan 1500, terwijl de belastbare basis 1000 bedraagt. Bij een aanslagvoet van 40% bedragen de fiscale inkomsten 400. Stijgt de fiscale druk tot 42% terwijl tegelijk de belastbare basis afkalft tot 900 (omdat bijvoorbeeld door het opdrijven van de fiscale druk een aantal activiteiten uit het officiële circuit verdwijnt), dan dalen de fiscale inkomsten tot 378. Er kan echter geen discussie over bestaan dat voor iedereen die aan deze belasting is onderworpen, de reëel voelbare belastingdruk (onze impliciete druk) toeneemt: van 40% naar 42%. Nochtans neemt - in % van het BBP - de fiscale druk af: van 26,7% (400 als % van 1500) naar 25,2% (378 als % van 1500).Impliciete belastingdruk per categorieGrafiek 1 ( De belastingbijl, blz. 36) geeft aan hoe voor de verschillende categorieën van belastingontvangsten de impliciete druk evolueerde tussen 1990 en 1998. Personenbelasting. Voor de personenbelasting geldt als belastbare basis het geheel van de loonmassa in de privé- en overheidssector en het inkomen van de zelfstandigen, verminderd met de sociale bijdragen. De impliciete druk in de personenbelasting steeg vanaf 1991 jaar na jaar: van 22,8% van de belastbare basis tot 26,3% in 1998. Tussen 1994 en 1998 nam de impliciete belastingdruk op de individuele burger toe van 25,4% naar 26,3%. Voor de ontvangsten in de personenbelasting 1998 bouwden we een correctie in. De overheid schoof verleden jaar immers op een merkwaardige manier met de inkohieringen - de Nationale Bank had het in haar jaarverslag over "tijdelijke vertragingen". Deze verschuivingen hebben betrekking op een bedrag van ruim 13 miljard frank of 0,15% van het BBP. Toeval of niet, maar het gaat hier om bewegingen die tot gevolg hebben dat de fiscale druk op de personen in 1998 afnam, een element dat Herman Van Rompuy maar al te graag beklemtoont. In tegenstelling met wat de Belgische overheid gewoonlijk doet, zag iedereen die geld tegoed had van de belastingen versneld zijn centen, terwijl zij die moesten bijbetalen de rekening met wat vertraging kregen voorgeschoteld.Vennootschapsbelasting. Nog spectaculairder dan de toename van de impliciete belastingdruk voor personen was de toename van de fiscale lasten voor vennootschappen. Van 15,6% in 1992 steeg de impliciete belastingdruk op vennootschappen naar 26,3% in 1998. Het voorbije jaar kwam de belastinglat dus even hoog te liggen voor vennootschappen als voor privé-personen. Uiteraard vormen de bedrijfswinsten hier de belastbare basis. We geven toe dat die de jongste jaren toenamen, maar uit onze berekeningen blijkt dat de winstevolutie slechts één vijfde kan verklaren van de toename van belastingen die bij de vennootschappen werden geïnd. De rest is te danken aan een stijging van het tarief en de beperking van de fiscale uitgaven.Aangezien steeds meer zelfstandigen hun activiteit uitoefenen onder vennootschapsvorm steeg de belastbare vennootschapsbasis sterk, namelijk van 11,2% van het BBP in 1992 naar 13,4% in 1998. Het spiegelbeeld hiervan vindt men in de afkalving van de relatieve belastingbasis van de personenbelasting, namelijk van 50% van het BBP in 1992 naar 48,2% het afgelopen jaar. In dit verband speelde ook het zogenaamde relatieve prijseffect: een forse daling van de importprijzen (-2% in 1998) leidt tot een snellere toename van de BBP-deflator (+1,9%) dan van de index van de consumptieprijzen (+0,9%). De lonen volgen de index van de consumptieprijzen terwijl het ondernemingsinkomen veeleer aanleunt bij de BBP-deflator. Indirecte belastingen. De belastbare basis voor de indirecte belastingen bestaat uit de particuliere consumptie van goederen en diensten, gecorrigeerd voor niet-BTW-plichtige verrichtingen zoals huur en medische consumptie, en de uitgaven voor woningbouw. De impliciete indirecte belastingvoet nam toe van 20,9% in 1990 naar 23% in 1998, al moeten we eerlijkheidshalve toegeven dat de maatregelen vooral voortvloeiden uit het Globaal Plan van december 1993. Sociale bijdragen. Inzake de sociale bijdragen vormen de brutolonen van de werknemers in de ondernemingen en het belastbaar inkomen van de zelfstandigen de belastbare basis. Het impliciete tarief voor deze sociale bijdragen steeg eerst sterk, namelijk van 33,6% in 1990 naar 36,3% in 1993, maar daalde vervolgens tot 34,1% in 1998. De socialelastendruk lag anno 1998 dus nog altijd hoger dan in 1990. Vermogensbelasting. Naast de roerende voorheffing gaat het hier vooral om de successie- en schenkingsrechten, de registratie- en hypotheekrechten, de onroerende voorheffing en allerhande verkeersbelastingen. In totaal goed voor 350 miljard frank in 1998. Wie zei alweer dat er geen vermogensbelasting bestond in België? Voor de vermogensbelastingen als geheel is het onmogelijk een impliciet tarief te berekenen, aangezien daar geen coherente belastbare basis kan worden samengesteld. Als % van het BBP daalde de opbrengst van de vermogensbelastingen van 4,2% in 1990 naar 3,4% in 1993 om vervolgens opnieuw te stijgen tot 3,8%.Bij de berekening van de impliciete belastingdruk konden we wel rekening houden met de evolutie van de roerende voorheffing op het rente-inkomen. Hier deed zich zowel een krimp voor van de belastbare basis als van het impliciete tarief. In % van het BBP daalden de opbrengsten van de roerende voorheffing van 1,8% in 1990 naar 0,7% in 1998. Deze evolutie vloeit vooral voort uit enerzijds de algemene rentedaling van de jongste jaren en anderzijds de groeiende voorkeur van de Belgische spaarder voor niet-belaste vormen van beleggingen zoals het spaarboekje en vooral de bevek's en aanverwanten.Totale impliciete belastingdrukWanneer we de verschillende belastingcategorieën (zoals hierboven beschreven) samentellen, krijgen we een beeld van de totale fiscale druk in de Belgische economie (zie grafiek 2: De druk stijgt steeds meer). Deze berekening gebeurde op basis van gewogen gemiddelden - met andere woorden op basis van het relatieve belang van de vijf grote belastingcategorieën (voor de vermogensbelasting hielden we alleen rekening met de roerende voorheffing). Conclusie:als we de impliciete belastingdruk in 1990 gelijkstellen aan 100, dan steeg de totale impliciete belastingdruk tot 105,7 in 1994 en 108,3 in 1998. Ook in % van het BBP steeg de fiscale druk van 43,6% in 1990 naar 45,5% in 1994 en vervolgens naar 46,2% in 1998.Een interessante oefening om na te gaan in welke mate de voorbije jaren de fiscale druk toenam, bestaat erin de impliciete tarieven die golden in bijvoorbeeld 1990 en 1994 toe te passen op de belastbare basis van 1998. Tabel 1 ( Hoeveel meer?) geeft ter zake een overzicht. Met de impliciete tarieven van 1990 zou de Belgische gemeenschap in 1998 305 miljard frank minder belastingen hebben betaald, zijnde 3,4 procentpunt van het BBP. Nog anders uitgedrukt: rekening houdend met 10 miljoen Belgen betaalden we in 1998 allemaal 30.000 frank belastingen meer dan in 1990. Neemt men 1994 als basis, dan vertegenwoordigt de toename van de betaalde belastingen 85 miljard frank, waarvan 39 miljard frank wordt teruggevonden in de personenbelasting. Een laatste interessant cijfergegeven om de toename van de fiscale druk te illustreren, is het concept van de macro-economische marginale lastendruk. Dat is de verhouding tussen de toename van de ontvangsten enerzijds en de toename van wat we met ons allen verdienen in België (het BBP) anderzijds. Voor 1998 bedroeg die macro-economische marginale lastendruk 49,2% van het BBP, terwijl de gemiddelde lastendruk op 46,2% afklokte. Van elke 1000 frank die de nv België meer verdiende in 1998, ging dus automatisch bijna 500 frank naar de overheid.Electoraal geïnspireerde fabelsDe bewering van minister van Begroting Herman Van Rompuy dat de fiscale druk lichtjes aan het dalen ging, moet dus worden verwezen naar het rijk van de - allicht electoraal geïnspireerde - fabels. Deze vaststelling zet meteen ook zijn uitspraak op losse schroeven als zou de daling van het financieringstekort van de overheid volledig te danken zijn aan het beheersen van de uitgaven.Zoals tabel 2 ( De wondere wereld der begrotingscijfers) aangeeft, daalden de totale uitgaven van de overheid tussen 1994 en 1998 van 51,9% van het BBP naar 48,3%, een opmerkelijke afname. Deze terugval met 3,6% procentpunt komt voor driekwart op het conto van de dalende rentelasten en voor één vierde op die van de andere overheidsuitgaven. Een grondige analysevan de evolutie van de rentelasten laat volgende conclusies toe:De afname van de rentelasten is vooral te danken aan de daling van de internationale rente. Slechts voor één derde is het een gevolg van de daling van de schuldratio - dit is de overheidsschuld als % van het BBP. Daarenboven wordt de afname van deze schuldratio voor de helft gedragen door de opbrengst van de verkoop van overheidsactiva.De daling van de rentelasten vloeit dus voor ten hoogste één zesde voort uit de beheersing van de begrotingstekorten. We maken hierbij dan ook nog abstractie van de positieve effecten van de gunstige conjunctuur.Dat het tenslotte aan de kant van de overige overheidsinkomsten ook niet allemaal pluis zit, blijkt uit de gegevens van de minister zelf (zie ook Trends, 14 januari 1998, blz. 7). In maart 1998 ging men bij de begrotingscontrole nog uit van een nettofinancieringstekort van 1,7% van het BBP. De minister deelde mee dat er zich voor 110 miljard frank - dit is 1,2% van het BBP - meevallers voordeden. Waarom daalde het financieringstekort dan niet tot 0,5% van het BBP? Zoals blijkt uit tabel 3 ( De verloren miljarden) kan twee derde van deze vraag objectief worden uitgelegd. Eén derde blijft echter een mysterie, behalve dan dat het alleen maar kan te maken hebben met een toename van de primaire uitgaven van 36 miljard ten opzichte van de voorzieningen in de ontwerpbegroting. Recente uitlatingen van eerste minister Jean-Luc Dehaene (CVP) indachtig, valt er veel voor te zeggen om inzake deze overschrijdingen de blik op de allereerste plaats in de richting van de sector van de gezondheidszorgen te wenden. Hoe dan ook, de grand cru van de regering-Dehaene was eerder een petit cru met (te) veel tannine. Guy Clémer Johan Van Overtveldt