Er kan geen twijfel over bestaan dat wij vandaag als maatschappij voor een aantal heel belangrijke uitdagingen staan.
...

Er kan geen twijfel over bestaan dat wij vandaag als maatschappij voor een aantal heel belangrijke uitdagingen staan. Eerst en vooral is er de veroudering van de bevolking. Bij een ongewijzigd tewerkstellingspatroon onder de 50-plussers stijgen de pensioenlasten tot een onhoudbaar niveau of daalt het welvaarts-niveau bij de gepensioneerden nog verder. Vandaag heeft al een groot deel van de gepensioneerden onvoldoende pen-sioeninkomsten om een verblijf in het rusthuis te betalen. Daarbij komt een voortdurende stijging van de kosten in de zorgsector, gedreven door die veroudering en door het feit dat vele ziekten die nu op korte termijn fataal zijn, door de vooruitgang van de geneeskunde langdurig kunnen worden behandeld. De enige oplossing voor dit probleem is om enerzijds de beschikbare jongeren te richten op activiteiten die een echte bijdrage leveren tot de welvaart en het welzijn en er anderzijds voor te zorgen dat de ouderen langer actief kunnen blijven. Een tweede probleem is de desindustrialisering van ons land. De fabriekssluitingen die met de regelmaat van een klok worden aangekondigd zijn niet enkel een crisisgebonden fenomeen maar zijn van structurele aard en illustreren het feit dat België als locatie voor industriële activiteiten steeds minder attractief is. Buitenlandse investeringen verminderen en ook de grote Belgische bedrijven investeren vooral in het buitenland. Het is tekenend en vooral triest dat het recentste sociaaleconomische debat draaide om de ontslagvergoeding voor arbeiders en helemaal niet ging over de manier om industriële activiteiten te behouden en te ontwikkelen. Dit illustreert een fatalisme en in zekere zin ook een cynisme dat vandaag veelal sociaaleconomische debatten beheerst. Een aantal mensen meent dat de desindustrialisering onafwendbaar is en dat wij moeten evolueren naar een dienstenmaatschappij. Het voorbeeld van het Verenigd Koninkrijk, waar deze illusie het sterkst heeft geleefd, illustreert echter dat er grenzen zijn aan dit model. Een land zoals België heeft een open economie en moet zijn invoer van goederen vooral compenseren door de uitvoer van andere goederen. De uitvoer van diensten is veel moeilijker. Daarbij komt dat de groei van de diensten in vele gevallen het resultaat was van een groei van de overheidsdiensten die zeker onhoudbaar is. Bovendien maakt het toenemende gebruik van het internet dat een aantal diensten (financiële diensten, organisatie van reizen, enzovoort) minder personeel vereist of direct vanuit het buitenland kan worden georganiseerd. Een belangrijk antwoord op deze problematiek is innovatie. Dat is sinds jaren zowel op Europees, Belgisch en Vlaams niveau een belangrijk thema. De resultaten zijn echter niet in lijn met de verwachtingen. Bekijken wij vandaag ons industrieel landschap dan moeten we vaststellen dat de grote bedrijven met beslissingscentrum in ons land - schaarse uitzonderingen niet meegeteld- allemaal vele tientallen jaren geleden werden opgericht. Succesvolle nieuwe bedrijven worden in bijna alle gevallen doorverkocht aan een grotere buitenlandse groep nog voor ze de kaap van 100 miljoen euro omzet overschrijden. Daardoor verhuist het beslissingscentrum onvermijdelijk naar het buitenland en zo verdwijnt een belangrijk stuk toegevoegde waarde. De nieuwe buitenlandse bedrijven uit de wereld van internet, elektronische media of nanotechnologie richten zich voor nieuwe vestigingen niet naar ons land. Hoewel er veel over innovatie wordt gesproken zijn de echte subsidies voor onderzoek en ontwikkeling in de industrie zeer beperkt. In Vlaanderen geeft het IWT ongeveer 14 euro per inwoner per jaar. Dat is slechts ongeveer een duizendste van het gemiddelde inkomen. Je kunt dan moeilijk van een prioriteit spreken. Nog belangrijker dan subsidies zijn overheidsinvesteringen in nieuwe technologieën. Ook daarin scoren wij zeer zwak. In het licht van al deze uitdagingen kunnen wij ons niet permitteren te blijven vechten voor het status-quo, iets wat vandaag bijna elk politiek of sociaaleconomisch debat beheerst. Een behoud van onze welvaart en ons welzijn vereist om te beginnen een nieuwe kijk op de efficiëntie van de overheid en op de inefficiëntie die door de overheid in de rest van de maatschappij wordt veroorzaakt. Na zeven jaar ministerie of staatssecreta-riaat voor administratieve vereenvoudiging zijn we niet verder gekomen dan enkele symbooldossiers. Slechts één voorbeeld: maaltijdcheques. Ze veroorzaken grote kosten voor bedrijven en ook veel tijdverlies. Het volstaat om aan te schuiven aan de kassa van een supermarkt om dit vast te stellen. Het toevoegen van één regel in de belastingswetgeving maakt dit hele gedoe overbodig. Het invoeren van een elektronische maaltijdcheque is dan ook kafkaiaans. Ook vele belastingen en bijdragen die nu veel administratieve kosten veroorzaken, kunnen veel eenvoudiger geïnd worden door ze samen te voegen. De administratie van de hele sociale zekerheid is een reuzendossier op zich. Om de ouderen langer aan het werk te houden, is een sterk verhoogde arbeidsmobiliteit nodig. Mensen die in een bepaald beroep zijn 'opgebrand' moeten de mogelijkheid krijgen om over te schakelen naar een andere activiteit waarvoor zij de competentie kunnen verwerven. De verzuiling in onze sociale zekerheid maakt dit vandaag vrijwel onmogelijk. Ook opleidingsprogramma's voor volwassenen zijn hierop niet gericht. Het ware verstandiger hiervoor geld uit te trekken dan voor gratis bustransport. Om te slagen in innovatie is er ook nood aan jongeren met een gepaste opleiding, vooral in de positieve wetenschappen. Nog nooit was het aantal studenten in de positieve wetenschappen zo laag. Hoe kan men dan verwachten dat nieuwe innovatieve bedrijven zich hier gaan vestigen? Ik ben uiteraard niet de enige die deze problematiek ziet. Wij zijn echter meer en meer een maatschappij geworden van taboes, nu niet langer van seksuele aard maar van maatschappelijke aard. Een aantal wetten en structuren zijn tot heilige huisjes verworden en mogen eenvoudigweg niet meer in twijfel worden getrokken. Het geld dat wij aan belastingen betalen, gaat voor een te groot deel naar structuren en kosten die onze welvaart en ons welzijn niet verhogen. Er is een gebrek aan sociaaleconomische visie bij de verschillende overheden maar ook bij een veel te schuchtere academische wereld. Ook vanuit de adviesgroepen en stuurgroepen die door de overheden werden opgericht, komt geen echte visie naar voren. Ik ben ervan overtuigd dat vele mensen met een sterke industriële ervaring bereid zijn om mee te werken aan het ontwikkelen van zo'n visie als het kader hiervoor geschapen wordt. Dat vereist de bereidheid om taboes te doorbreken. Het geld dat wij aan belastingen betalen gaat voor een groot deel naar structuren en kosten die onze welvaart en ons welzijn niet verhogen. jo cornu