Het loopt weer fout met de internationale concurrentiepositie van België. Als we de relatieve loonkosten per werknemer in gemeenschappelijke munt bekijken, stellen we vast dat België sinds 1970 een loonkostenhandicap opstapelde van 19%. Dat blijkt uit een nog niet gepubliceerd document van de studiedienst van KBC. De werktitel luidt: De Belgische Loonnorm Herbekeken.
...

Het loopt weer fout met de internationale concurrentiepositie van België. Als we de relatieve loonkosten per werknemer in gemeenschappelijke munt bekijken, stellen we vast dat België sinds 1970 een loonkostenhandicap opstapelde van 19%. Dat blijkt uit een nog niet gepubliceerd document van de studiedienst van KBC. De werktitel luidt: De Belgische Loonnorm Herbekeken. De evolutie van de relatieve loonkosten sedert 1970 lezen we in grafiek 1, ze is er weergegeven ten opzichte van onze drie belangrijkste handelspartners - Duitsland, Frankrijk en Nederland. Na een forse verslechtering in de tweede helft van de jaren zeventig, was onze internationale concurrentiepositie aanzienlijk verbeterd als gevolg van de devaluatie van 1982 en het pakket begeleidende maatregelen. Toch bleef zelfs in het beste jaar, 1983, een handicap bestaan van 5,3%. In het begin van de jaren negentig liepen de relatieve loonkosten weer snel op. Tegenover de drie zaten we in 1995 met een kostennadeel van 22,3%. In 1995 en 1996 konden we iets van de handicap goedmaken. Maar dit jaar en volgend jaar zullen we opnieuw wat terrein verliezen. Zo blijkt uit de jongste berekeningen van KBC. De handicapinzake relatieve loonkosten waar onze ondernemingen in de internationale concurrentiestrijd mee af te rekenen hebben, verschilt nauwelijks indien men niet alleen vergelijkt met de drie naaste buurlanden. Ook de vergelijking met de vijf (de drie plus Italië en Engeland), de zeven (de vijf plus de Verenigde Staten en Japan) en de negentien (de negentien belangrijkste handelspartners) geeft aan dat het loonkostennadeel aanzienlijk blijft (zie tabel 1). Het maakt ook niet zoveel uit of men nu 1970 als basisjaar neemt dan wel of men het gemiddelde neemt van de jaren 1970-1973. De handicap situeert zich altijd tussen 12,9% en 21,3%. Met 1987 als basisjaar ligt dat cijfer tussen 3,6% en 7,1% (zie tabel 1). Dat het met de evolutie van de loonkosten in België niet goed loopt, blijkt tevens uit grafiek 2, waar het loonaandeel in het bruto binnenlands product (BBP) staat afgebeeld. Tegen 1989 waren we erin geslaagd om dat aandeel naar het gemiddelde niveau van onze drie buurlanden te brengen. De stijging die overal optrad tussen 1989 en 1993, was meer uitgesproken in België, terwijl de algemene daling vanaf 1993 zich nadrukkelijker doorzette bij onze buurlanden dan bij ons. Geen ruimteDe wet op het concurrentievermogen van ons land houdt geen rekening met niveaus, dat wil zeggen dat ze abstractie maakt van het loonkostennadeel dat in de loop der jaren wordt opgestapeld. Deze wet voorziet alleen dat de loonkostenstijging gedurende één of meer jaren niet hoger mag liggen dan het gewogen gemiddelde van de loonkostenevolutie in Duitsland, Frankrijk en Nederland. Uiterlijk tegen eind oktober dient deze zogenaamde loonnorm voor de jaren 1999-2000 te worden vastgelegd. De studaxenvan KBC berekenen dat het gewogen gemiddelde van de nominale loonstijgingen bij de drie 5,1% zal bedragen. Om te komen tot de ruimte die er in de jaren 1999 en 2000 voorhanden is om reële loonstijgingen toe te kennen, dienen nog twee aanpassingen te worden doorgevoerd. De loonindexering, geschat op 3,7%, moet verminderd worden. Volgens de huidige bepalingen van de wet ontstaat er extra ruimte voor loonsverhoging als gevolg van de verlaging van de werkgeversbijdragen. Het effect van dit laatste wordt op 0,8% geschat. Slotsom van deze plus en min is dat er ruimte zou bestaan voor een reële loonsverhoging met 2,1%. Maar dat is zelfbedrog en wel om vier redenen, die meteen ook aangeven dat de wet op het concurrentievermogen grondig moet worden herzien.Ten eerste gaat het niet op de sociale lasten voor werkgevers te verlagen om op die manier reële loonsverhogingen toe te staan. Zo komt er van bijkomende tewerkstelling nooit iets in huis.Ten tweede is het zo dat het relatief belang van de drie buurlanden nu gemeten wordt aan de hand van hun BBP. Aangezien onze internationale concurrentiepositie vooral van belang is voor export- en importstromen ligt het echter veel meer voor de hand om Duitsland, Frankrijk en Nederland te wegen in functie van het belang dat ze hebben voor onze export. Het belangrijkste gevolg van een dergelijke wijziging in de methodiek zou zijn dat het belang van Nederland fors toeneemt en dat van Duitsland daalt (zie tabel 2). Aangezien de loonstijgingen in Nederland de jongste jaren hoger lagen dan in Duitsland ontstaat hier extra ruimte. Volgens de KBC-berekeningen is dat echter een ruimte van niet meer dan 0,1%. Ten derde blijft de discussie over de evolutie van de arbeidsproductiviteit bestaan, aangezien de wet voorschrijft dat de loonkosten per werknemer in rekening moeten worden gebracht. Deze discussie spitst zich toe op de vraag of productiviteitsstijgingen reëel dan wel pervers zijn. Met pervers bedoelen we productiviteitsstijgingen die voortvloeien uit rationalisaties als gevolg van een ontspoorde loonontwikkeling. Het KBC-document ziet geen redenen waarom er zich in België in de jaren 1997-1998 méér of minder perverse productiviteitstoenames voordeden dan bij de drie. Het waargenomen productiviteitsverschil is dus reëel en bedraagt 1,2% in het nadeel van België. Dit verschil moet logischerwijze worden gerecupereerd.Ten vierde gaat één nationale loonnorm voorbij aan de sectorale en regionale productiviteitsverschillen (zie tabel 3). De productiviteit ligt beduidend hoger in Vlaanderen dan in Wallonië en ook hoger in de nijverheid dan in de dienstensectoren. Een verstandige loonnorm zou ruimte tot aanpassing aan deze productiviteitsverschillen moeten bieden. Deze vier elementenwijzen erop dat niet alleen de wet op het concurrentievermogen zou moeten worden herzien, maar dat er ook voor 1999 en 2000 geen ruimte bestaat voor reële loonsverhogingen. Zoals blijkt uit tabel 4 zou er, rekening houdend met de noodzakelijke correcties zoals hoger aangegeven, zelfs een daling van de reële loonkosten met 1% moeten komen. Maar dat is natuurlijk helemaal utopie. Johan Van Overtveldt