‘We dreigen een nieuw imec te verliezen’

“Vlaanderen heeft een voorsprong opgebouwd in de biobased economy. Maar als we niet blijven investeren, raken we die voorsprong kwijt.” Wim Soetaert, professor en bezieler van het Gentse innovatiecentrum Bio Base Europe, vecht voor zijn baby.

Van heinde en verre komen buitenlandse experts en bedrijven poolshoogte nemen in een omgebouwde brandweerkazerne in het noorden van het Gentse havengebied. De Bio Base Europe Pilot Plant staat vol testinstallaties gegroepeerd rond industriële biotech, groene chemie en bioraffinage.

Bedrijven kunnen er tegen betaling onderzoek laten verrichten. De meeste aandacht gaat naar de zogenaamde biogebaseerde producten: bioplastics, biodetergenten, biosolventen, biochemicaliën, enzovoort. “Een paar jaar geleden was dat nog vloeken in de kerk, maar nu weet iedereen in die sector dat biogebaseerde chemicaliën de toekomst zijn”, zegt Soetaert.

Het onderzoek naar biobrandstoffen draait een pak minder. “Het is een gevestigde technologie geworden”, zegt Soetaert. “Door de crisis, en omdat de Europese doelstellingen in de praktijk verlaagd zijn, is er minder vraag naar onderzoek voor biobrandstoffen. Europa wil meer tweedegeneratiebiobrandstoffen die alleen organische afvalstoffen gebruiken, maar technologisch is die strijd al grotendeels gestreden. Het heeft alleen nog wat tijd nodig om te zien welk procedé er als winnaar uit de bus komt.”

Op volle capaciteit draaien de machines niet. “Veel bedrijven staan even op de rem wegens de crisis en de onzekerheid. Dat spaart hen op korte termijn geld uit. Dat ze daardoor kansen missen, dat merken ze pas over vijf jaar. Al riskeren ze tegen dan wel te laat te zijn.” Voor Soetaert is het duidelijk. “De race om bioplastics wordt nu op het getouw gezet. Aardolie wordt steeds duurder. Bovendien verhoogt de druk van hun klanten. Coca-Cola wil dat tegen 2020 al zijn flessen voor 100 procent bestaan uit bioplastics. Dat betekent dat bij al die leveranciers rode lampen gaan branden.”

U bent optimistisch.

WIM SOETAERT. “Voor biogebaseerde chemicaliën heb je een pak minder biomassagrondstoffen nodig dan voor biobrandstoffen. Er zit meer waarde in de totale keten en het komt voor de bedrijven ook sympathieker over in de publieke opinie. Financiering is altijd een probleem, maar zodra de economie aantrekt, stijgt de olieprijs wellicht weer sterk. Wie niet klaar is als de olieprijs naar 150 of 200 dollar per vat gaat, komt in de problemen.”

Welke rol kan Bio Base Europe daarin spelen?

SOETAERT. “Vlaanderen is nu al een belangrijke speler in de biobased economy. We hebben een voorsprong opgebouwd. Het probleem is dat de bedrijven nu op de rem staan voor innovatie, en erger nog, de overheid ook. Op voedsel wordt niet snel bespaard, maar innovatie is in zekere zin een luxe. Je kan kiezen om ervoor te gaan of juist niet. We dreigen daardoor snel onze voorsprong te verliezen, want in China en elders zitten ze niet stil.

“De Europese Commissie is zeer gefrustreerd omdat er amper demonstratieprojecten gebeuren in Europa. We pompen veel middelen in academisch onderzoek. Als dat klaar is om grootschalig te worden uitgetest, en een eerste productie op te leveren, dan verdwijnt het naar de Verenigde Staten of Azië.”

Waarom blijven ze niet hier?

SOETAERT. “Dat heeft vooral te maken met de subsidieregeling. Wereldwijd doen bedrijven hoe langer hoe minder aan innovatie. De echte motor achter innovatie is vaak de overheid. In de VS wordt een demonstratieplant voor 70 tot 80 procent gesubsidieerd, in Europa voor maximaal 35 procent. We spreken hier over vestigingen die semicommercieel zijn, met volumes van enkele duizenden tot tienduizenden ton op jaarbasis. Je hebt daarmee als bedrijf een referentie dat het ook kan op grotere schaal. Gelukkig is Europa nu bezig die bovengrens op te trekken naar 70 procent.”

Dreigen we niet in een subsidieopbod te verzeilen?

SOETAERT. “Ik ben een grote voorstander van Europa, maar voor innovatie-subsidies slaat het de bal volledig mis. Fundamenteel onderzoek wordt hier voor 100 procent gesubsidieerd, toegepast onderzoek voor 70 procent, demonstratieprojecten voor 35 procent en grootschalige productie helemaal niet. Achterliggend idee: hoe verder in de ketting, hoe meer het risico afneemt, dus moet de overheid minder bijpassen.

“Dat klinkt logisch, maar de realiteit is dat het risico alleen maar toeneemt naarmate je verder in de innovatieketen komt. Als basisonderzoek niets oplevert, ben je misschien een miljoen euro kwijt. Maar een demonstratieplant kost al snel 50 miljoen euro. Het risico vergroot dus, terwijl de overheidssteun afneemt. Dat hebben ze in de Verenigde Staten en China zeer goed begrepen. Door demonstratieprojecten flink te subsidiëren, halen ze die systematisch naar hun land. Europa stopt zijn geld grotendeels in fundamenteel en basisonderzoek, de anderen plukken er de vruchten van. Gelukkig dringt in Europa het besef door dat het zo niet verder kan.”

Had Vlaanderen meer kunnen doen?

SOETAERT. “We opereren nu eenmaal in een Europees keurslijf. De Vlaamse regering heeft Innovatieregiegroepen opgericht voor groene energie en eco-innovatie. Die hebben gewezen op hetzelfde probleem: er zijn in Vlaanderen veel financieringskanalen voor laboratoriumonderzoek, maar voor demonstratieprojecten is er geen enkel. Ik hoor dat het IWT een dergelijk financieringskanaal zal opzetten, maar het is er nog steeds niet.

“Demonstratieprojecten zijn de drijvende kracht achter innovatie. Zonder die projecten heeft fundamenteel onderzoek geen zin. Maar die frank, of euro, valt pas laat. Coca-Cola heeft een deal gesloten met het Nederlandse Avantium, om de biovariant van de petfles te ontwikkelen. Maar wat onze noorderburen ook mogen hopen, de eerste demonstratieplant zal zeer waarschijnlijk in de VS worden gebouwd, niet in Nederland.”

Wat betekent dat voor de proefplant hier?

SOETAERT. “We worden systematisch gekopieerd en onze voorsprong slinkt zienderogen. De Vlaamse overheid beseft te weinig dat dit hier een nieuw imec kan worden (het grootste onafhankelijke Europese onderzoekscentrum voor micro-elektronica en nanotechnologie, nvdr. ).

“Er werd in de Bio Base Europe Pilot Plant 13 miljoen euro geïnvesteerd. Maar in Frankrijk plannen ze een proefplant van 220 miljoen euro. Nederland wil er een van 120 miljoen in Delft bouwen. Het is eenvoudig, ofwel investeren we voort, ofwel moeten we op termijn het peloton lossen. We zijn natuurlijk nog veel kleiner en minder succesvol dan imec, maar 20 jaar geleden stond imec ook waar wij nu staan.”

Wat doet dat met een mens om zo te blijven volhouden?

SOETAERT. “Je krijgt veel tegenwind en daar word je moe van. Maar opgeven staat niet in mijn boekje, moeilijk gaat ook. Maar we krijgen gelukkig ook veel steun, ook van de Vlaamse regering.”

Wat is er nodig om te kunnen concurreren met die Franse fabriek?

SOETAERT. “Meer geld om te investeren in extra apparatuur. Elke bezoekende ingenieur kijkt met bewondering naar wat we hier hebben samengebracht aan apparatuur voor amper 13 miljoen euro, want zij weten dat 1 miljoen euro niet veel geld is in deze branche. Een doorsneepoliticus ziet hier een hoop buizen en toestellen en vraagt zich af: is het dat maar?

“Onze opkomende concurrenten in Frankrijk en Nederland zijn nog niet operationeel. Wij zijn al twee jaar operationeel, maar zitten nog op een subkritisch niveau. Dus we hebben nog even de tijd, maar die tijd mogen we niet verloren laten gaan.”

Kunt u geen privé-investeerders aantrekken?

SOETAERT. “Onze kracht is juist dat we onafhankelijk zijn, we brengen zo open innovatie in de praktijk. Wanneer een industrieel bedrijf hier een participatie zou hebben, haken andere klanten af. Kijk naar imec: dat werkt nauw samen met grote bedrijven, maar dat blijven klanten, geen aandeelhouders. Ik begrijp de vraag, maar innovatie wordt steeds meer een overheidstaak, net als infrastructuur en scholen. In de VS, het land van de vrije markt, hebben ze dat zeer goed begrepen.

We zouden hier gemakkelijk 100 tot 150 mensen werk kunnen verschaffen. Nu zijn er dat 27, maar we groeien sterk. Nu moet ik soms klanten laten schieten omdat ik niet de nodige onderzoeksapparatuur heb.”

Toch even over biobrandstoffen. Alle Belgische fabrieken zijn van de eerste generatie, die voedselgewassen gebruiken. Terwijl Europa meer werk wil maken van biobrandstoffen op basis van voedselafval, de tweede generatie. Lopen wij achter?

SOETAERT. “In de VS zijn er acht demonstratieprojecten in aanbouw of operationeel. In Europa geen enkel. Van die acht verdwijnt nog zeker de helft, omdat de technologie toch net iets minder goed is dan een andere.

“Als Europa wil dat er tegen 2020 vijf procent biobrandstoffen van de tweede generatie bij wordt gemengd, wordt dat zeer moeilijk. Maar je moet de problemen ook relativeren, dit is een werk van lange adem. De Belgische biobrandstofproducenten gebruiken inderdaad nog technologie van de eerste generatie. Maar dat is nodig, want de tweede generatie is nog niet volwassen.

“Niet elke Belgische biodiesel- of bioethanolfabriek draait even goed. Hier in Ghent Bio-Energy Valley zijn we erg geïntegreerd in een hele waardeketen, wat een groot kostenvoordeel geeft. Eurosilo stockeert het koolzaad, Cargill maakt er olie van, Bioro zet de olie om naar biodiesel, en Oil Tanking mengt die bij de gewone diesel en distribueert de brandstof naar de pompstations. Dat werkt, we zijn erg competitief en exporteren biodiesel naar onze buurlanden, los van de Belgische quota. Andere fabrieken liggen zogoed als stil.”

Waar bent u over tien jaar?

SOETAERT. “Hopelijk nog altijd hier. De biogebaseerde economie groeit overal zeer sterk. Gent heeft een grote voorsprong opgebouwd, maar de race is nog niet gelopen. Ofwel groeit het hier verder in Gent, ofwel houdt alles op. Stilstaan is geen optie. Ik zal er alles aan doen om te zorgen dat zo’n rampscenario niet gebeurt, maar de tijd werkt tegen ons.”

LUC HUYSMANS EN BERT LAUWERS, FOTOGRAFIE JELLE VERMEERSCH

“Ofwel groeit de biogebaseerde economie in Gent voort ofwel houdt hier alles op”

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content