Het begon allemaal met het regeerakkoord van juli 1999. De fiscale druk op arbeid moest en zou worden verlaagd tot het niveau van onze buurlanden. Om dat doel te bereiken, werkte de regering een hervorming van de personenbelasting uit.
...

Het begon allemaal met het regeerakkoord van juli 1999. De fiscale druk op arbeid moest en zou worden verlaagd tot het niveau van onze buurlanden. Om dat doel te bereiken, werkte de regering een hervorming van de personenbelasting uit. De hervorming (ingevoerd bij de wet van 10 augustus 2001) werd gespreid over vier jaar, meer bepaald over de inkomsten van 2001 tot 2004 (aanslagjaren 2002 tot 2005). Er zijn twee belangrijke krachtlijnen: vermindering van de fiscale druk op de lonen en het wegwerken van discriminatie tussen alleenstaanden, gehuwden en wettelijk samenwonenden. Om de fiscale druk op de lonen te verminderen, werden de volgende maatregelen geleidelijk doorgevoerd: 1. Verhoging van de forfaitaire beroepskosten op de eerste inkomensschijf van 20 % naar 25 %; 2. Aanpassing van de belastingtarieven voor de midden- inkomens. De inkomensschijven waarop de tarieven van 30 tot 45 % gelden, worden op de volgende manier verbreed: 3. Afschaffing van de hoogste belastingtarieven van 52,5 % en 55 %. Het hoogste tarief (het zogenaamde marginale tarief) in de personenbelasting wordt dus geleidelijk teruggebracht tot 50 %, op de volgende manier: 4. De invoering van een terugbetaalbaar belastingkrediet voor lage inkomens met een beroepsactiviteit. Wanneer het nettobedrag van de beroepsinkomsten tussen 3260 en 14.140 euro ligt, wordt een bedrag van maximaal 440 euro (niet geïndexeerd) van de verschuldigde belasting afgetrokken en wordt er een eventueel overschot terugbetaald. Een concrete berekening van de belastingverlaging vindt u op blz. 48 (zie kader: De belastinghervorming in cijfers). Om gehuwden, wettelijk samenwonenden en alleenstaanden gelijk te behandelen, werden de volgende maatregelen doorgevoerd: 1. Een identieke belastingvrije som (het deel van het inkomen waarop u geen belastingen betaalt) voor gehuwden, alleenstaanden en wettelijk samenwonenden. Dat moet de fiscale discriminatie van gehuwden ten aanzien van alleenstaanden wegwerken. 2. De belastingvermindering voor sommige vervangingsinkomsten (zoals pensioenen en ziekte- en invaliditeitsvergoedingen) wordt anders berekend. 3. De decumulatie van alle inkomsten. Alle inkomsten van elke echtgenoot (en elke samenwonende partner) worden afzonderlijk belast, en dus niet alleen meer de beroepsinkomsten. Voor gemeenschappelijke inkomsten (bijvoorbeeld het kadastrale inkomen van een gemeenschappelijke woning) wordt de helft toegekend aan de ene en de helft aan de andere partner. In inkomstenjaar 2004 (aanslagjaar 2005) is de hervorming van de personenbelasting beëindigd. Die zou dus op kruissnelheid moeten komen in de periode 2005-2006. Maar - en dat wordt uit het oog verloren - de bedrijfsvoorheffing is niet gevolgd. De bedrijfsvoorheffing is de maandelijkse inhouding op het loon van werknemers en bedrijfsleiders van vennootschappen. Door deze inhoudingen betaalt u vooraf een deel van de verschuldigde belastingen. Hoeveel bedrijfsvoorheffing er elke maand wordt ingehouden, wordt jaarlijks bepaald door de overheid. De bedrijfsvoorheffing die wordt ingehouden vanaf 1 januari 2006, wordt berekend door de zogenaamde sleutelformule (zie www.fisconet.be). Idealiter heeft de bedrijfsvoorheffing tot gevolg dat u voor uw beroepsinkomsten (en andere inkomsten waarop bedrijfsvoorheffing wordt ingehouden, zoals pensioenen) geen belastingen meer moet bijbetalen of terugkrijgen op het ogenblik dat u het aanslagbiljet ontvangt. Maar dat is niet het geval. De belastingadministratie houdt bij het berekenen van de bedrijfsvoorheffing geen rekening met alle maatregelen van de belastinghervorming. Het gevolg is dat er stelselmatig te veel bedrijfsvoorheffing wordt ingehouden. Hoeveel bedrijfsvoorheffing er maandelijks te veel wordt ingehouden, hangt af van de situatie. Specialisten hebben berekend dat er in 2006 gemiddeld ruim 75 euro te veel zal worden ingehouden aan maandelijkse bedrijfsvoorheffing. U verleent de staat dus een gratis lening voor een termijn van vijftien à achttien maanden. De bedrijfsvoorheffing die te veel wordt ingehouden voor het kalenderjaar 2006, zal u ten vroegste terugkrijgen in de loop van 2008, op het ogenblik dat u het aanslagbiljet ontvangt. De kloof tussen de bedrijfsvoorheffing en het aanslagbiljet ontstaat omdat de fiscus de wettelijke barema's en vrijstellingen niet toepast, en wordt ingegeven door budgettaire redenen. De belastinghervorming gebeurt slechts voor 25 % via de bedrijfsvoorheffing en voor 75 % via het aanslagbiljet, dus maanden later. Hier bestaat geen wettelijke basis voor. Deze kloof is al menigmaal aan de kaak gesteld in het parlement en door fiscalisten, maar tot nog toe zonder resultaat. Interessant zijn de parlementaire vragen die in oktober 2005 werden gesteld door Kamerleden Hendrik Bo- gaert (CD&V), Carl Devlies (CD&V) en Hagen Goyvaerts (Vlaams Belang) aan staatssecretaris van Financiën Hervé Jamar (MR). Ze verwijzen naar een rapport van het Rekenhof over de berekening van de bedrijfsvoorheffing. Het Rekenhof, hierin gesteund door de Raad van State en het Arbitragehof, stelt uitdrukkelijk dat de bedrijfsvoorheffing zoveel mogelijk moet aansluiten bij de uiteindelijk verschuldigde belasting. Jamar antwoordt ontwijkend en zegt dat de hervorming via de bedrijfsvoorheffing crescendo in de tijd verloopt, "waarbij het voor de hand ligt dat daarbij rekening wordt gehouden met de beschikbare budgettaire ruimte". De staatssecretaris voegt daar trouwens laconiek aan toe: "Persoonlijk vind ik dat er ergere dingen denkbaar zijn dan vast te stellen dat er onvoldoende bedrijfsvoorheffing werd ingehouden."Intussen beraadslaagt de regering deze week over een tweede belastinghervorming. Minister van Financiën Didier Reynders (MR) maakte eerder al duidelijk dat hij het belastingvrije minimum wil optrekken, en de aftrek van de kosten voor kinderopvang en van de forfaitaire beroepskosten wil verhogen. Hij werd daarover op 15 maart in het parlement ondervraagd door Hendrik Bogaert en Carl Devlies. Reynders zei in zijn antwoord dat het altijd de bedoeling is geweest dat er een tweede hervorming zou komen en dat de voorgestelde maatregelen de goedkeuring wegdragen van de regeringspartners. Het is de bedoeling ook deze hervorming geleidelijk in te voeren, net zoals de eerste belastinghervorming.