Agalev: d ò CD&V: b ò N-VA: d ò SP.A: c ò Spirit: d ò Vlaams Blok: d ò VLD: a
...

Agalev: d ò CD&V: b ò N-VA: d ò SP.A: c ò Spirit: d ò Vlaams Blok: d ò VLD: a Sinds 1996 kent België de wet op het concurrentievermogen. Die bepaalt op basis van de inflatie en de loonkostenontwikkeling bij onze drie buurlanden een loonnorm: de maximale stijging van de loonkosten. De loonnorm is de niet te vermijden stok achter de deur om het mechanisme van de automatische loonindexering min of meer in toom te houden. Maar het systeem werkt niet. Zo veroorzaakte de sterker dan verwachte inflatie in de periode 2001-2002 een snellere loonstijging dan in het buitenland. En hoewel de wet van 1996 daarvoor correctiemechanismen bevat, werden die niet toegepast in het nieuwe akkoord voor 2003-2004. De meeste ondernemingen willen dan ook zowel de huidige loonnorm als de automatische indexering naar de prullenmand verwijzen. Want pas dan ontstaat de mogelijkheid om zogenaamde all-in-akkoorden te sluiten. Dat zijn collectieve arbeidsovereenkomsten (CAO's) die de totale loonsverhoging, inflatie inbegrepen, afspreken voor een bepaalde periode. Op die manier zijn verrassingen uitgesloten. In een overgangsfase pleiten ondernemers voor meer differentiatie. Hoe ver die differentiatie moet gaan, is een thema dat de werkgeversverenigingen verdeelt. Het Vlaams Economisch Verbond (VEV) ziet hierin de weg naar een regionaal sociaal overleg, zodat de lonen in Vlaanderen en Wallonië zich onafhankelijk van elkaar kunnen ontwikkelen. Het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) daarentegen houdt vast aan een federale loonontwikkeling. In de memoranda van alle werkgeversverenigingen is de problematiek van de loonvorming een prioritair thema. Niet zo bij de partijen. Het is zelfs een dossier dat er nogal bekaaid afkomt. Bij sommige partijen wordt zelfs pure nonsens verteld. Dat dit een materie is die in de eerste plaats door de sociale partners zelf moet worden aangepakt, is daarvoor maar een mager excuus. Agalev, SP.A en Spirit verdedigen het systeem van de loonindexering. Agalev zelfs zonder voorbehoud. De SP.A is erg cryptisch. Ze wil het systeem niet zomaar opgeven, maar "stelt wel vast dat sommige sectoren een eigen oplossing onderhandelen, waarbij de afgesproken loonsverhoging afhankelijk wordt gesteld van de inflatie". Lijkt dat te wijzen op een erg verhulde aanvaarding? Indien ja, dan is de schrik om dat te zeggen wel erg groot. Zowel Spirit als SP.A pleiten voor een verfijning van de loonnorm. Volgens Spirit kan er rekening worden gehouden met de lonen in de omringende landen (wat de norm al doet), inflatie (doet hij ook al) en tewerkstelling. Van veel kennis van zaken getuigt die opmerking niet. Het verfijningslijstje van de SP.A klinkt verstandiger: productiviteit, investeringen, tewerkstellingsevolutie, onderzoek. Maar toch verzeilt ook inflatie in het lijstje. De VLD vindt dat de loonvorming een verantwoordelijkheid blijft van de sociale partners. Hetzelfde geldt voor de automatische indexering, "wat niet wegneemt dat een allesomvattende loononderhandeling (inclusief prijscompensatie) beter is voor de economie." CD&V spreekt zich niet uit over de indexering. Wel gaat de partij op een interessante manier in op de loonnorm. Stefaan De Clerck en de zijnen willen de norm niet langer afstemmen op de loonkosten, maar op de brutolonen. Op die manier wil CD&V vermijden dat verminderingen van werkgeversbijdragen de ruimte voor loonstijging vergroten, terwijl ze bedoeld zijn om nieuwe jobs te creëren. Een tweede verbetering die CD&V wil, is een regionale loonnorm die differentiatie tussen Vlaanderen en Wallonië met zich brengt. Ook Spirit, N-VA en Vlaams Blok zijn voorstander van CAO's op regionaal niveau. Het Blok baseert die eis op een weinig orthodoxe economische redenering: omdat de productiviteit in Vlaanderen hoger ligt dan in Wallonië en de lonen en de werkloosheid lager, "ligt het voor de hand dat Vlaanderen bij nationale onderhandelingen de tol betaalt". Vlaamse CAO's moeten "onze concurrentiepositie verbeteren op de internationale markt". Economische nonsens, want hogere productiviteit, lagere lonen en lagere werkloosheid kunnen alleen leiden tot hogere looneisen. G.M.