Gelijk 'hebben' volstaat niet. Men moet gelijk 'krijgen'. Dat cliché geldt ook op fiscaal gebied. Wie een betwisting heeft met de fiscale administratie, zal vaak zijn toevlucht moeten nemen tot de rechtbank. En dat kost geld.
...

Gelijk 'hebben' volstaat niet. Men moet gelijk 'krijgen'. Dat cliché geldt ook op fiscaal gebied. Wie een betwisting heeft met de fiscale administratie, zal vaak zijn toevlucht moeten nemen tot de rechtbank. En dat kost geld. Fiscale procedures zijn nochtans niet per definitie duur. Het inleiden van een fiscale vordering kost niets. Voor het neerleggen van een tegensprekelijk verzoekschrift bij de fiscale kamer van de rechtbank van eerste aanleg, zijn geen rechten verschuldigd. Ook voor het instellen van een hoger beroep moeten in fiscale zaken geen rechten worden betaald. Bovendien heeft elke belastingplichtige het recht zijn zaak zelf voor de rechtbank of het hof van beroep te bepleiten. Wie dat doet, kan dus heel goedkoop aan een vonnis of arrest geraken. Het enige dat je tot nog toe riskeert, is het betalen van de 'rechtsplegingsvergoeding' voor het geval je in het ongelijk wordt gesteld. Maar die vergoeding stelt op dit ogenblik niet veel voor. Bovendien is zij slechts verschuldigd als de andere partij door een advocaat wordt verdedigd. Dat is tegenwoordig op het gebied van de inkomstenbelastingen meestal niet (meer) het geval. De fiscale ambtenaren verdedigen hun dossiers doorgaans zelf. Nochtans merkt men in de praktijk dat bijzonder weinig belastingplichtigen het aandurven hun zaak zelf te bepleiten. In bijna alle gevallen doen zij een beroep op een advocaat. Dat heeft uiteraard te maken met de ingewikkeldheid van de fiscale wetgeving, de schroom om voor de rechtbank te verschijnen enzovoort. Wie een advocaat inhuurt, krijgt de rekening gepresenteerd. En die blijkt dikwijls gepeperd te zijn. De 'rechtsplegingsvergoeding' die je toegekend krijgt als je de zaak wint, volstaat meestal in de verste verte niet om het ereloon van de advocaat te betalen. Niet zelden is de 'fiscale winst' als de zaak gewonnen wordt, amper voldoende om het ereloon van de advocaat te voldoen. Vandaar dat ook op fiscaal gebied al lang de vraag wordt gesteld of je de verliezende partij niet kan laten opdraaien voor de advocaatkosten. Het probleem kwam enkele jaren geleden in een stroomversnelling. Het Hof van Cassatie besliste dat in gevallen van contractuele aansprakelijkheid de advocaatkosten van de winnende partij deel kunnen uitmaken van de te betalen schadevergoeding. Na dit arrest hebben sommige belastingplichtigen ook in fiscale betwistingen gepoogd de advocaatkosten van de winnende partij ten laste te laten leggen van de verliezer. Maar dat is meestal niet gelukt. Vanaf begin 2008 verandert dit allemaal. De wetgever heeft nog net voor de verkiezingen een wet aangenomen die de verliezende partij verplicht aan de winnaar een forfaitaire vergoeding te betalen als tussenkomst in de erelonen en kosten van diens advocaat. Dezelfde wet heeft de koning gemachtigd het bedrag van deze forfaitaire vergoedingen vast te stellen. Dit is ondertussen gebeurd. Om u een idee te geven: bij een vordering met een waarde van bijvoorbeeld 10.000 euro is de forfaitair vastgestelde vergoeding gelijk aan een basisbedrag van 1100 euro dat door de rechter in sommige gevallen kan worden verlaagd naar 625 euro of verhoogd naar 2500 euro. Bij een vordering met een waarde van bijvoorbeeld 100.000 euro is dat respectievelijk 5000, 1000 en 10.000 euro. Bij vorderingen met een waarde boven 1.000.000 euro is de top van het tarief bereikt. Het basisbedrag is dan 15.000 euro, het minimumbedrag 1000 euro en het maximumbedrag 30.000 euro. De nieuwe regeling geldt voor alle betwistingen waarop het gerechtelijk wetboek van toepassing is. Dus ook in fiscale geschillen. Door de nieuwe regeling kan een fiscale betwisting flink duurder worden. Neem bijvoorbeeld een fiscale vordering met een waarde van 100.000 euro. Zoals gezegd, kan de vergoeding dan maximaal oplopen tot 10.000 euro. De vergoeding is 'per aanleg' verschuldigd. Stel dat de belastingplichtige in het ongelijk wordt gesteld. Hij moet dan opdraaien, niet enkel voor zijn eigen advocaatkosten (in eerste aanleg en in voorkomend geval, ook in hoger beroep), maar bovendien is hij dan de nieuwe forfaitaire vergoeding verschuldigd, die in het voorbeeld zoals gezegd kan oplopen tot 10.000 euro in eerste aanleg en nog eens 10.000 euro in graad van hoger beroep. Het spreekt vanzelf dat dergelijke bedragen mee van invloed zullen zijn op de beslissing om wel of niet een vordering in te leiden. Op fiscaal gebied is het nochtans niet zeker dat men deze vergoeding ook effectief moet betalen. Zoals gezegd, doet de administratie in geschillen omtrent inkomstenbelastingen tegenwoordig nog maar zelden een beroep op een advocaat. De ambtenaren verdedigen hun taxatiedossiers zelf. Dit wil zeggen dat er in dat geval aan de zijde van de administratie geen advocaatkosten zijn en dat de nieuwe forfaitaire vergoeding dus niet verschuldigd zal zijn (als de belastingplichtige het pleit verliest). Fiscaal procederen wordt op deze manier als het ware een 'gokspel': wie een fiscale vordering inleidt voor de rechtbank en het geluk heeft dat de administratie geen departementsadvocaat inschakelt, hoeft de nieuwe forfaitaire vergoedingsregeling niet te vrezen. Wie pech heeft en toch een departementsadvocaat tegenover zich krijgt, moet bij verlies de nieuwe forfaitaire vergoeding wel betalen. DE AUTEUR IS ADVOCAAT EN HOOFDREDACTEUR VAN FISCOLOOG.Jan Van Dyck