Dat de Vlaamse tewerkstellingsvoorwaarde voor de vrijstelling van successierechten bij de vererving van familiebedrijven niet door de Europese beugel kan, is inmiddels bekend. Het Europees Hof van Justitie heeft ze in strijd verklaard met het Europese beginsel van de vrijheid van vestiging. Maar wat zijn de gevolgen van deze uitspraak?
...

Dat de Vlaamse tewerkstellingsvoorwaarde voor de vrijstelling van successierechten bij de vererving van familiebedrijven niet door de Europese beugel kan, is inmiddels bekend. Het Europees Hof van Justitie heeft ze in strijd verklaard met het Europese beginsel van de vrijheid van vestiging. Maar wat zijn de gevolgen van deze uitspraak? Al verschillende jaren kunnen familiebedrijven in het Vlaams Gewest vrij van successierechten vererfd worden. De vrijstelling is onder meer bedoeld om de continuïteit van kmo's te verzekeren. Zij is, zoals men kan verwachten, onderworpen aan tal van voorwaarden. Eén daarvan luidt dat de onderneming aan een minimale tewerkstellingsvoorwaarde moet voldoen. Om de volledige vrijstelling te genieten, is vereist dat men in de drie jaar voor het overlijden minstens vijf voltijdse personeelsleden tewerkstelt. Vereist is ook dat deze tewerkstelling daarna een bepaalde periode behouden blijft. Haalt men de norm van vijf personeelsleden niet, dan gaat de vrijstelling niet meteen verloren. In een overgangsregeling heeft men recht op een gedeeltelijke vrijstelling die verhoudingsgewijs daalt volgens het aantal voltijdse personeelsleden. Bij vier werknemers bedraagt de vrijstelling nog 80 %, bij drie werknemers 60 %, bij twee 40 % en bij één 20 %. Stelt men in de drie jaar voor het overlijden niet ten minste het equivalent van één voltijds personeelslid tewerk, dan heeft men geen recht op de vrijstelling. Successierechten zijn al verschillende jaren een gewestelijke belasting. Daarom is het niet verwonderlijk dat de Vlaamse wetgever een regionale reflex heeft getoond toen hij de tewerkstellingsvoorwaarde ontwierp. Voor de vrijstelling van successierechten is niet alleen vereist dat men het nodige aantal personeelsleden tewerkstelt. Bovendien moeten deze personeelsleden in het Vlaams Gewest tewerkgesteld worden. Een familievennootschap die vijf werknemers tewerkstelt in het Waals Gewest of het buitenland, kan de Vlaamse vrijstelling van successierechten dus vergeten. Dat overkwam ook een 'Nederbelg' die al verschillende jaren in het Vlaams Gewest woonde en een onderneming had die weliswaar meer dan vijf personeelsleden tewerkstelde, maar dat deed in Nederland. Zijn erfgenamen zagen de Vlaamse vrijstelling van successierechten aan hun neus voorbijgaan. Zij gingen naar de rechtbank en krijgen nu gelijk. De rechtbank in Hasselt besloot een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie. Dat heeft inmiddels geoordeeld dat de Vlaamse tewerkstellingsvoorwaarde indruist tegen de Europees gewaarborgde vrijheid van vestiging. Het gevolg is dat men bij de beoordeling of het bedrijf in kwestie aan de tewerkstellingsvoorwaarde voldoet, ook rekening moet houden met de tewerkstelling in Nederland. En dat het Vlaams Gewest zijn wetgeving dringend in die zin moet aanpassen. Die boodschap geldt overigens niet alleen voor het Vlaams Gewest. In het Waals Gewest geldt ook een vrijstelling van successierechten bij de vererving van familiebedrijven. En ook daar is de vrijstelling aan een tewerkstellingsvoorwaarde onderworpen. Die luidt weliswaar anders dan in het Vlaams Gewest. Maar ook hier bespeurt men (althans sinds kort) een regionale reflex. Sinds enige tijd geldt namelijk dat de vereiste tewerkstelling zich moet voordoen in het betrokken gewest, dus het Waalse. Die voorwaarde is, gelet op het arrest van het Europese Hof van Justitie, ook bijna zeker in strijd met het Europese beginsel van de vrijheid van vestiging. De Waalse wetgever moet zijn huiswerk dus eveneens overdoen. Interessant is de vraag wat de gevolgen zijn binnen de landsgrenzen. Het Europees Hof kapittelt de Vlaamse wetgever omdat hij geen genoegen neemt met een tewerkstelling in een andere lidstaat (in casu Nederland). Maar wat als een familiebedrijf de benodigde personeelsleden niet in het Vlaams Gewest of het buitenland tewerkstelt, maar in het Waals of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? Dezelfde vraag rijst voor de toepassing van de Waalse vrijstelling: wat als de vereiste tewerkstelling niet in het Waals Gewest gerealiseerd wordt, maar wel in het Vlaams of Brussels Gewest? De uitspraak van het Europees Hof biedt hier geen oplossing. Het Hof heeft het enkel over een mogelijke tewerkstelling in een andere lidstaat. Het spreekt zich niet uit over een mogelijke tewerkstelling binnen België, maar in een ander gewest. De oplossing ligt voor de hand. Een (Vlaamse of Waalse) regeling die de vrijstelling (onder druk van de Europese rechtspraak) wel toestaat bij een tewerkstelling in bijvoorbeeld Nederland of Frankrijk, maar niet als de vereiste tewerkstelling gerealiseerd wordt in een ander gewest, is manifest in strijd met het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel. Met zo'n discriminatie moet men niet naar het Europees Hof, maar naar het Belgisch Grondwettelijk Hof. de auteur is advocaat en hoofdredacteur van FiscoloogJan Van Dyck