Het einde van het olietijdperk is nabij. Die onheilstijding blijft controversieel, maar wint bij olieprijzen van bijna 70 dollar per vat snel aan geloofwaardigheid. Panikeer nog niet, het is al de vijfde keer in de wereldgeschiedenis dat de wereld flirt met olietekorten. Het zal wellicht ook niet de laatste keer zijn. Want tot het tegendeel bewezen wordt, maakt de olie-industrie een slingerbeweging tussen overvloed en schaarste, tussen spotgoedkoop en peperduur zwart goud.
...

Het einde van het olietijdperk is nabij. Die onheilstijding blijft controversieel, maar wint bij olieprijzen van bijna 70 dollar per vat snel aan geloofwaardigheid. Panikeer nog niet, het is al de vijfde keer in de wereldgeschiedenis dat de wereld flirt met olietekorten. Het zal wellicht ook niet de laatste keer zijn. Want tot het tegendeel bewezen wordt, maakt de olie-industrie een slingerbeweging tussen overvloed en schaarste, tussen spotgoedkoop en peperduur zwart goud. Herinner u hoe de hoge olieprijzen en schaarste van de jaren zeventig gevolgd werden door dalende prijzen in de jaren tachtig en negentig. Volle tankers dreven eind vorige eeuw doelloos op zee rond. Als de geschiedenis zich herhaalt en de olie-industrie zichzelf blijft, dan verdrinken we over een aantal jaar opnieuw in de olie. De producenten ` reageren op aanhoudend hoge prijzen door als gekken olie op te pompen, terwijl de consumenten besparen op olieverbruik en naarstig op zoek gaan naar alternatieven. Ziedaar het geijkte recept voor een instorting van de olieprijs. Of is het deze keer anders? Zijn vraag en aanbod zodanig van aard veranderd, dat olie onherroepelijk een schaarse en dus heel kostbare grondstof is geworden? De vrees leeft dat er niet meer genoeg olie kan opgepompt worden om iedereen te bedienen. De gevolgen merkt u elke dag aan de pomp. Eerst de vraag naar olie. Die stijgt snel: 3,6 % in 2004, 1,9 % in 2005 en naar schatting 2,1 % in 2006. Wijs niet alleen de groeiende oliedorst van China met de vinger. Andere Aziatische tijgers, maar ook de VS en zelfs het Midden-Oosten zijn even grote slokoppen van meer olie. Tegen 2025 zou de vraag naar olie met de helft stijgen (naar 125 miljoen vaten per dag), onder impuls van een groeiende globale middenklasse. Kan het aanbod dat tempo volgen? Hoegenaamd niet, meent Colin Campbell, de bekende geoloog die aan de kop van het peloton pessimisten staat en aanhanger is van de controversiële peak-oil theory. Volgens Campbell - zijn vrouw noemt hem wel eens Meneer Doomsday - maken we nu een historisch moment mee: de olieproductie piekt en zou vanaf nu dalen (zie grafiek 1). We hebben daarom nu al de helft opgepompt van wat we ooit zullen bovenhalen. Campbell voorspelt dat dramatische keerpunt al 15 jaar, maar deze keer is het menens: dit is het begin van het einde van het olietijdperk. Een dalende of zelfs stabiele productie staat haaks op de stijgende vraag en zou daarom zonder meer rampzalig zijn voor de wereldeconomie die nog voor 90 % op fossiele brandstoffen draait. De optimisten en de olie-industrie zelf wuiven dat scenario weg. Er zit nog meer dan genoeg olie onder de grond, en hoeveel er opgepompt wordt, is nog altijd eerder een kwestie van hoeveel olie de wereld nodig heeft en nog lang geen kwestie van hoeveel olie er overblijft. Op de oliemarkt regeren de wetten van de economie nog altijd boven de wetten van de geologie. Die visie sluit aan bij de historische uitspraak van de voormalige Saudische olieminister Sheikh Zaki Yamani. "Het stenen tijdperk eindigde niet door een gebrek aan stenen en het olietijdperk zal eindigen lang voor de wereld zonder olie raakt."Vandaag zit de markt in elk geval ook krap in de olie. Dit kwartaal ligt de vraag net onder 85 miljoen vaten per dag, het aanbod klimt er nog net boven. In het volgende kwartaal, als de winter in het grootste deel van de bewoonde wereld voor de deur staat, stijgt de vraag naar 87 miljoen vaten per dag, terwijl het aanbod maar net boven de 86 miljoen vaten per dag zou uitkomen. Dat betekent dat de wereld zijn voorraden moet aanspreken. Het dreigt nog een hete herfst te worden op de oliemarkt. Volgend jaar moeten vraag en aanbod ongeveer in evenwicht zijn op gemiddeld 87 miljoen vaten per dag. De markt danst dus op het slappe koord, temeer daar er weinig of geen reservecapaciteit overblijft. Mexico en Noorwegen zegden in juni geen reservecapaciteit meer te hebben, en verklaarden dat alle reservecapaciteit die er nog was in handen van de Opec is. Grafiek 2 toont dat de Opec op dit ogenblik ook de kraan niet veel verder kan opendraaien. Ze kan in geval van nood één miljoen vaten per dag extra op de markt gooien. De ruime reservecapaciteit die bestond sinds 1985 is weg. De minste verstoring van het aanbod - een aanslag in Saudi-Arabië, een venijnige orkaan in de Golf van Mexico, politieke onrust in Nigeria - is daarom genoeg om de markt te ontwrichten. Maar wie wil er investeren in bijkomende reservecapaciteit? Dat kost veel geld en brengt weinig op. De Saudi's zeggen een marge van 1,5 miljoen vaten per dag te willen aanhouden, maar zolang de grote olieproducenten geen reservecapaciteit bouwen, blijven de prijzen hoog en volatiel. De oliemarkt werkt niet goed zonder dat vangnet van reservecapaciteit. Beterschap is op til: volgend jaar zou de reservecapaciteit volgens het Internationaal Energie Agentschap (IEA) stijgen naar drie miljoen vaten per dag. Dat is nog geen veilige buffer, maar in elk geval een stuk comfortabeler dan het miljoen van vandaag. Intussen is een krappe oliemarkt niet alleen het ideale speelterrein voor speculanten, ook de 'goede huisvader' neemt het zekere voor het onzekere en slaat nu olie in, of koopt nu al de olie op termijn. Het is dus angst voor het onzekere die achter de hoge olieprijs steekt. Het Arab Petroleum Research Center schat dat de prijs op basis van de nuchtere statistieken vandaag 30 tot 35 dollar per vat zou bedragen. Er is vers bijkomend olieaanbod onderweg, maar geduld is nodig. Tussen het starten van een project en het oppompen van de eerste olie steekt drie tot zeven jaar, al zijn de meeste nieuwe projecten al op de sporen gezet voor de huidige prijsopstoot. De olie-industrie heeft de jongste jaren geïnvesteerd op basis van een verwachte vraagtoename van 1 à 2 %. In 2004 steeg de vraag echter met 3,5 %, vandaar dat de markt het evenwicht kwijt raakte. De olievraag zou in 2006 terugvallen naar een klim van 2 %, terwijl vooral de kleine producenten een tandje bijsteken. De olie-industrie investeert dit jaar 13 % meer volgens Lehman Brothers en City Group, terwijl 4 à 6 % een gemiddelde stijging is. Het is tekenend dat de huur van boormateriaal nooit zo duur was. Voor u olie gaat zoeken in uw tuin of vijver, een boorplatform kost u 300.000 dollar per dag. Eens de olie vloeit uit die nieuwe projecten, kan het best zijn dat de wereld geen blijf weet met al die olie, de traditie van de industrie getrouw. Dat is de stelling van Daniël Yergin van Cambridge Energy Research Association (Cera). Die energiedenktank maakte, veld na veld, een analyse van de toekomstige productie. De conclusie: van schaarste is de komende jaren geen sprake, wel integendeel. Er is een grote ongeziene stijging van de productiecapaciteit in de maak. De risico's zitten niet onder de grond, maar boven de grond en zijn van politieke aard. Maar er moet volgens Cera al veel mis gaan om deze grootschalige productie-uitbreiding te torpederen, al liggen veel van de nieuwe projecten in Rusland en West-Afrika - niet meteen de stabielste regio's. Volgens Cera kan de wereld tegen 2010 ruim 16 miljoen vaten extra oppompen. Dat is een toename met 20 % die de wereld de komende jaren van genoeg olie moet voorzien. Het aanbod kan tegen 2010 6 tot 7,5 miljoen vaten per dag groter zijn dan de vraag. Dat moet al vanaf 2007 de prijzen drukken. Zakenbank Goldman Sachs ziet de zaken anders, en verwacht tot 2010 olieprijzen van ten minste 60 dollar per vat, precies omdat de olie-industrie nog te weinig van de wassende cashflow investeert in nieuwe projecten. Het olietijdperk eindigt dus wellicht dit decennium nog niet. Maar het volgende decennium is al een grotere kandidaat. De olievoorraad ís eindig. En een groot gedeelte van de beschikbare reserves is al aangesproken. De voorbije 150 jaar heeft de wereld bijna 950 miljard vaten verbruikt. Hoeveel blijft er nog over? Genoeg, zo lijkt op het eerste gezicht. De meest gehanteerde maatstaf is die van de 'bewezen reserves' of de hoeveelheid olie die op basis van huidige technologie en marktomstandigheden uit de bestaande reservoirs opgepompt kan worden. Volgens BP bedroegen de bewezen reserves eind 2004 nog 1188 miljard vaten. Met de huidige consumptiesnelheid van 2004 kunnen we nog 40 jaar voort met deze reserve. Dan zijn er ook nog een pak niet-conventionele reserves. Het gaat dan om de teerzanden in Canada of oliewinning in de diepzee. Tegen 2030 kunnen die reserves goed zijn voor 30 % van de olieproductie. Al die reserves zijn wel niet gelijk verdeeld over de aardbol. Het Opec-kartel is gezegend met bijna 70 % van de resterende olie en kan die reserves ook vaak het goedkoopst ontginnen. Het marktaandeel van de Opec (nu ongeveer 40 %) zal de komende jaren daarom fors toenemen. Op het eerste gezicht is het olievat dus nog niet af. Toch heeft de wereld twintig jaar geleden al een belangrijk keerpunt genomen: we verbruiken sinds halfweg de jaren tachtig meer olie dan we er vinden (zie grafiek 1). PFC, een gereputeerde energieconsultant uit Washington, berekende dat we vandaag voor elke twee vaten olie die we oppompen, we er maar één nieuw ontdekken. Elk jaar en in elke regio produceert de wereld meer olie dan het ontdekt. De voorbije tien jaar is er weinig olie gevonden, zeker in vergelijking met de decennia daarvoor. Dat is verontrustend, zeker wie er het werk van M. King Hubbert, de geestelijke vader van de peak-oil-theorie, erbij haalt. In 1956 beschreef Hubbert in een mathematisch model hoe de olieproductie in de Verenigde Staten zou verlopen: een klokvormige grafiek toont hoe de productie piekt 40 jaar nadat de ontdekking van olie piekt, om daarna snel te dalen. De VS volgde perfect dit patroon. De olievondst piekt in de jaren dertig, de olieproductie in de jaren zeventig. In zowal alle olielanden is dit voor alle fossiele brandstoffen de geijkte gang van zaken. Eerst wordt veel olie ontdekt en in die periode stijgt de productie snel. De productie piekt vervolgens op het ogenblik dat 40 à 50 % van de bewezen reserves zijn opgepompt. Het productieniveau blijft dan op een plateau tot ongeveer 60 à 70 % van de reserves op zijn. Daarna daalt de productie snel. Europa en Azië zijn al over hun productietop. Volgens PFC zitten 33 van de 48 olieproducerende landen ofwel aan hun productieplafond of is de productie al in dalende lijn. Wat betekent dat op wereldschaal? De olievondsten piekten in de jaren zestig. Veertig jaar later moet volgens Hubbert de wereldproductie pieken en dat brengt ons uit bij... vandaag. Merk echter een tweede piek op eind jaren zeventig (zie grafiek 1). Dat geeft wat respijt. En dan is er ook nog de spaarpot van de niet-conventionele reserves. De conventionele reserves zijn nog altijd 20 % hoger dan tot wat nu is opgepompt. Dat betekent dat er nog wat rek zit in de productie, maar ook dat de aftelling naar de piek zonder grote nieuwe vondsten - en dat is weinig waarschijnlijk - onherroepelijk begonnen is. De industrie wijst er wel op dat bewezen reserves een slechte gids voor de toekomst zijn. De technologie verbetert continu en zal de opbrengst in vele regio' s opvoeren. Volgens BP's Statistical Review of World Energy zijn de bewezen reserves eind 2004 met 300 miljoen vaten gestegen in vergelijking met eind 2003. En in vergelijking met tien jaar geleden, zijn de reserves zelfs met 10 % gestegen, hoewel er intussen olie werd opgepompt. Cera verwacht daarom de piek van de productie pas in de jaren dertig of veertig van deze eeuw en het zal geen piek zijn, maar eerder een plateau, dat nog decennia kan aangehouden worden. PFC is pessimistischer en schat het keerpunt veel dichter in de toekomst. Bij een trage groei van de vraag (1,1 % op jaarbasis) zou er genoeg olie zijn voor iedereen tot 2025. Bij een normale groei van de vraag (1,8 % per jaar, wat trager is dan het huidige toename) kan het aanbod volgen tot 2018 (zie grafiek 3). Hoelang het aanbod ook kan volgen, de wereld zal een steeds groter beroep moeten doen op de olie van de Opec. De komende jaren kunnen ook Rusland en diens buurlanden de wereld van extra olie voorzien, maar op langere termijn staat de Opec er bijna alleen voor om de extra oliedorst van de wereld te lessen, met alle geopolitieke gevolgen vandien. Het kan wel eens druk worden in de regio, want niet alleen de VS wil zijn oliebevoorrading verzekeren. Europa wordt de volgende jaren afhankelijker van Russische olie en gas, wat ook niet meteen een reden tot geruststelling is. De niet-Opec-productie stagneerde al de jongste jaren, met uitzondering van het voormalige Sovjet-Unie-gebied, dat de productie nog kan opvoeren naar een piek van 14 miljoen vaten per dag, om daarna ook terug te vallen. Worden er hier geen nieuwe reserves gevonden, dan piekt de niet-Opec-productie kort na 2010, om aan een lange afdaling te beginnen. Kan de Opec die taak aan? PFC vreest dat de Opec het vanaf 2015-2020 moeilijk zal krijgen om alleen de extra vraag op te vangen. Want ook de Opec zit al in het straatje van afkalvende reserves. Het oliekartel produceert 8 miljard vaten méér per jaar dan het ontdekt. Sinds 1975 zijn wel een pak kleine velden ontdekt, maar geen grote. De reserves van de Opec dalen nu met 1 % per jaar. In totaal is 40 % van de ooit gevonden olie al opgepompt (zie grafiek 4). Dat betekent dus dat de productie nog kan groeien, maar niet zo lang meer. En kloppen de reserves wel? Vooral Saudi-Arabië, dat een kwart van de wereldreserves claimt, is een gesloten vat. De Amerikaan Matthew Simmons schreef onlangs een boek onder de weinig opbeurende titel Twilight in the Desert. Zijn thesis: Saudi-Arabië zit bijna op de piek van zijn productie. Officieel zegt het koninkrijk over 260 miljard vaten reserves te beschikken en de productie duurzaam te kunnen opschroeven naar 12 à 15 miljoen vaten per dag, een stuk meer dan de 10,5 miljoen van vandaag. Simmons trekt dat in twijfel. Heeft hij gelijk én blijft de spil van de olieproductie in gebreke, dan krijgen ook Hubbert en Campbell snel gelijk, en is het einde van het olietijdperk nabij. Daan KillemaesBij een trage groei van de vraag zou er genoeg olie zijn voor iedereen tot 2025. Bij een normale groei van de vraag kan het aanbod van olie volgen tot 2018.