Af en toe vertoont de academische wereld sektarische trekjes. Academicus zijn in de strikte zin van het woord, is vaak onvoldoende om er helemaal bij te horen. De Britse historicus Niall Ferguson is hiervan een treffende illustratie. Want ook al beschikt hij over een indrukwekkende wetenschappelijke staat van dienst, hij blijft een outsider. Ergens is hij ' a bit too much', zoals men aan de overkant van het Kanaal zegt. Te succesvol, te populair, maar ook te rijk en volgens sommigen zelfs... te knap. Hoeveel hij precies verdient met zijn academische en extra-academische activiteiten is e...

Af en toe vertoont de academische wereld sektarische trekjes. Academicus zijn in de strikte zin van het woord, is vaak onvoldoende om er helemaal bij te horen. De Britse historicus Niall Ferguson is hiervan een treffende illustratie. Want ook al beschikt hij over een indrukwekkende wetenschappelijke staat van dienst, hij blijft een outsider. Ergens is hij ' a bit too much', zoals men aan de overkant van het Kanaal zegt. Te succesvol, te populair, maar ook te rijk en volgens sommigen zelfs... te knap. Hoeveel hij precies verdient met zijn academische en extra-academische activiteiten is een goed bewaard geheim, maar dat hij jaarlijks enkele miljoenen euro's opstrijkt, lijdt geen twijfel. Punt is dat hij op zijn 46ste een indrukwekkend aantal publicaties combineert met een academisch parcours dat hem naar Oxford, Harvard en de London School of Economics heeft gevoerd. Niall Ferguson - hij omschrijft zichzelf als een "klassieke Schotse verlichtingsliberaal" - is een cijferman. Economische parameters analyseren is een cruciaal onderdeel van zijn bronnenonderzoek. Zijn sterkte is dat hij dit onderzoek in bevattelijke en lezenswaardige taal kan omzetten. In grote mate verklaart dit het succes van zijn boeken, ook al krijgt hij van zijn collega's - daar zijn ze weer - weleens het verwijt iets te kort door de bocht te gaan. So be it. Civilization: The West and the Rest, daar draait het hier om. Twee vragen intrigeren Ferguson. Waarom slaagden enkele westerse landen erin om op een zeker punt de wereld te domineren? En waarom wordt deze dominantie bedreigd door Azië? Slechts één cijfer om het fenomeen in kaart te brengen. In 1500 controleerden de latere imperiale Europese mogendheden 10 procent van de aardbol. Ze schreven 40 procent van de welvaart op hun rekening. In 1913 zag het plaatje er helemaal anders uit. Diezelfde landen wisten hun greep te leggen op 60 procent van dat grondgebied. Samen genereerden ze ook 80 procent van de wereldwijde welvaart. Voor de verklaring ziet hij zes elementen, kortweg en eigentijds killer applications of killer aps genoemd. Om te beginnen de opmars van de competitie, de kern van een vrije-markteconomie. Adam Smith stelde al vast dat China al een hele tijd "stationair" was. In Europa daarentegen was alles in beweging. Wetenschappelijke vooruitgang was een tweede factor. Net als het belang van privé-eigendom. Moderne wetenschap was de "most remakable killer application", benadrukt hij. Het succes van het consumentisme is er nog zo eentje. Het is een onderwerp dat minder bestudeerd werd dan pakweg inflatie of handelsbetrekkingen. Ferguson heeft er enkele interessante bedenkingen over. Waarom produceerde de Sovjet-Unie geen jeans? Het zou hét geknipte product voor hun economische model geweest zijn. De laatste factor, tot slot, is een arbeidsethos. Het brengt hem bij de onderzoeken van Max Weber die in zijn werken de link legde tussen het protestantisme en een stevige arbeidsethiek. Alleen wordt dit verhaal op een meer aangename en lezenswaardigere manier gebracht. Niall Ferguson, Civilization: The West and the Rest, Allen Lane, 2011, 402 blz., 40 euro MICHAËL VANDAMME