A chter de Bourla in Antwerpen staat een kasteel van een gebouw, het voormalige hoofdkantoor van Forminière. Hier sorteerden vingervlugge Antwerpse maskes tussen de twee wereldoorlogen ruwe diamanten. Forminière, een dochter van de Generale Maatschappij van België, werd geen De Beers. De Duitse oorlogsindustrie, De Beers, Forminière, Alexandre Galopin, Camille Huysmans en antisemitische Kempense diamantpatroons schaakten om geld, macht en overleven in de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw. Erik Laureys, onderzoeker van de Belgische oorlogsgeschiedenis, doctoreerde aan de Vrije Universiteit Brussel met een dikke geschiedenis van het Belgische diamant tussen Schemeroorlog en Koude Oorlog. Uitgeverij Lannoo maakte een handelsversie.
...

A chter de Bourla in Antwerpen staat een kasteel van een gebouw, het voormalige hoofdkantoor van Forminière. Hier sorteerden vingervlugge Antwerpse maskes tussen de twee wereldoorlogen ruwe diamanten. Forminière, een dochter van de Generale Maatschappij van België, werd geen De Beers. De Duitse oorlogsindustrie, De Beers, Forminière, Alexandre Galopin, Camille Huysmans en antisemitische Kempense diamantpatroons schaakten om geld, macht en overleven in de jaren dertig en veertig van de twintigste eeuw. Erik Laureys, onderzoeker van de Belgische oorlogsgeschiedenis, doctoreerde aan de Vrije Universiteit Brussel met een dikke geschiedenis van het Belgische diamant tussen Schemeroorlog en Koude Oorlog. Uitgeverij Lannoo maakte een handelsversie. Antwerpen was tientallen jaren de nummer één in de wereld. Vandaag leven twee miljoen mensen van de diamant, zijn er 37 productielanden en 22 beurzen. Het verhaal aan de Schelde luidt dat de sector gedurende een eeuw een rustig bestaan leidde en dat is fout. Doemscenario's zijn een vertrouwd verschijnsel in Antwerpse diamantkringen, ontdekte Laureys. In 1914-1918 vertrokken de diamantairs tijdelijk uit Antwerpen, er waren de diamantcrisis van 1921, de economische crisis van 1930, de dumping van de Duitse diamantindustrie en het antisemitisme van de jaren dertig. Laureys: "De vrees dat de Joodse diamantairs met hun technische kennis, relaties en fortuinen uit Antwerpen zouden wegtrekken, was reëel." Over de branche in Antwerpen verschijnen toeristische praalboeken of herdenkingswerken die niet uitblinken door historische flinkheid. De aandacht van historici gaat vaak uitsluitend naar deelaspecten. De socialistische vakbond en de overwegend Joodse werkgeversvereniging stonden dicht bij elkaar tussen de twee wereldoorlogen. Dat overlegsyndicalisme was mogelijk door de vage grens tussen de beide groepen. De loonarbeid en de mogelijkheid om zelf te ondernemen in de diamantwereld lagen dicht bij elkaar. Laureys: "De katholieke Kempense plattelandsverwerkers werden, na de crisis van 1930 en de verpaupering van nieuw ingeweken Joodse thuisarbeiders, openlijker antisemitisch. Zij waren boos over de geprivilegieerde verhouding tussen de socialistische diamantarbeiders en de Joodse patroons. De kleine katholieke Kempense werkgever was niet opgewassen tegen zijn stedelijke Joodse concurrent en uitte zijn frustraties door antisemitisme en Vlaams-nationalisme."De socialistische burgemeester van Antwerpen Camille Huysmans was de advocaat van de diamantairs. Langs de Algemene Diamantarbeidersbond kende de Limburger Huysmans de sector en tijdens de Eerste Wereldoorlog werd hij bevriend met Mozes Kleinhaus. Na zijn verhuizing naar Antwerpen in 1919 zou Huysmans zich het lot van de Joden in Antwerpen persoonlijk aantrekken. Hij steunde het zionistische socialisme en zorgde dat het lid werd van de Tweede Socialistische Internationale waarvan hij voorzitter was. Tussen 1900 en 1935 ontstond een constructie die Erik Laureys de as Congo-Londen-Antwerpen noemt. In 1939 werd het Beschermingscomité voor den Diamanthandel en Nijverheid in België gesticht. In de praktijk werd het bestuurd door De Beers, toen en nu een oppermacht in de branche. Het comité had twee oogmerken: beletten dat diamanten Duitsland zouden bereiken én zorgen dat de ruwbevoorrading van de Belgen in handen van De Beers bleef. Een oorlog of een embargo zou De Beers beletten zijn Belgische klanten rechtstreeks te bedienen en Forminière zou die kunnen overnemen, wat een diepe kwetsuur was voor het Brits-Zuid-Afrikaanse bevoorradingskartel. De macht zou verschuiven naar de diamantproducenten. Tegen de oorlogslogica in ging het om een poging de as Congo-Londen-Antwerpen te redden. Forminière drong zich in 1939-1941 met zijn industriediamant op als partner van de Britten. De onderneming kreeg de Belgische overheid zo ver, dat deze de Antwerpse diamantairs dwong om het ministerie van Koloniën en de Generale Maatschappij te volgen naar Zuid-Frankrijk en niet uit te wijken naar Londen. De branche verkoos Londen als uitwijkplaats. De ontvangst van de diamantairs in Cognac was uiterst belabberd en de meegereisde groep verspreidde zich over diamantdiaspora in Cuba en de VS. Bij de vervolging van de incivieken in 1944 had men geen oog voor de verscheidenheid in ernst, motieven en gevolgen van de collaboratie. De volkswoede kon wekenlang onbeteugeld haar gangen gaan. In de eerste uren na de bevrijding werd Jopie Adelaar de grote zuiveraar van de Antwerpse diamantwijk. Met de Witte Brigade zocht hij verdachten in de diamantwereld om ze naar de dierentuin te voeren. Adelaar, een Nederlandse Jood, kwam tijdens de bezetting in opspraak als fraudeur, verklikker en handlanger van Gustaaf Breugelmans, een leider van de Kempense patroons. Adelaar trok naar de woning van Breugelmans in Hove om er de inboedel op straat te gooien en het archief van Breugelmans te verbranden. De Duitsers vochten nog tegen het verzet in het noordelijke havengebied van Antwerpen toen Willem Eekelers, socialistisch schepen van Antwerpen, naar Londen reisde op vraag van de stad Antwerpen en de Belgische regering om de diamantindustrie nieuw leven in te blazen. De grootste uitdaging was om de diasporahandelaars terug naar Antwerpen te lokken. Door de epuratie van de zwarte diamantairs, het ter beschikking stellen van verbeurd verklaarde woningen, fiscale maatregelen en de restitutie van ontvreemde diamanten kon de terugkeer in 1950 voltooid worden. De ambassadeurs van de repatriëring waren Nuchim Torczyner in New York en Romi Goldmuntz in Londen. De overige grote Joodse diamantairs bleven opvallend afstandelijk, acteert Erik Laureys: "De onmacht van de Joodse diamantairs om hun standpunten op te dringen aan de Belgische politieke elite was voor en tijdens de oorlog frappant. De grootste catastrofe die hen overviel was de exodus naar Cognac. Die werd hen opgedrongen en dat volgde uit hun gebrekkige vertegenwoordiging in alle Belgische beslissingscentra." De grootste ommekeer na 1945 was de deemstering van Forminière. Laureys: "De dubbelzinnige rol van de onderneming bij de Nieuwe Orde-instellingen voor de diamant en de vragen bij de bevrijding over de Galopin-doctrine waren wellicht de oorzaak."Erik Laureys, Meesters van het diamant - De Belgische diamantsector tijdens het nazibewind. Lannoo, 320 blz., 29,95 euro.Frans Crols