Na het losbarsten van de financi-ele crisis, nu meer dan vijf jaar geleden, kwamen niet direct protestbewegingen tot stand. Pas na de eurocrisis werd de zogeheten 15 meibeweging van de Indignados (Verontwaardigden) in Spanje opgericht. De beweging reageert tegen het kapitalisme en de inhaligheid van banken en beleggers. Het protest dijde in september en oktober 2011 ook uit naar andere Europese landen en kende samen met Occupy Wall Street een eerste internationale actiedag op 15 oktober 2011.
...

Na het losbarsten van de financi-ele crisis, nu meer dan vijf jaar geleden, kwamen niet direct protestbewegingen tot stand. Pas na de eurocrisis werd de zogeheten 15 meibeweging van de Indignados (Verontwaardigden) in Spanje opgericht. De beweging reageert tegen het kapitalisme en de inhaligheid van banken en beleggers. Het protest dijde in september en oktober 2011 ook uit naar andere Europese landen en kende samen met Occupy Wall Street een eerste internationale actiedag op 15 oktober 2011. Waarom pas in 2011, vraagt Alasdair Roberts zich in The End of Protest af. Ook activist voor consumenten- en burgerrechten Ralph Nader vroeg zich al af waarom het zo lang duurde vooraleer het protest uitbrak. Nog opvallender: vandaag is het stil. Het lijkt alsof het protest een stille dood gestorven is. Stel dat de econoom Joseph Schumpeter nog leefde. Dan zou hij volgens de auteur zijn ogen niet geloven. "De geschiedenis van het kapitalisme", waarschuwde Schumpeter immers in 1942, "is bezaaid met gewelddadige uitbarstingen en catas-trofes." Daar hebben we recentelijk niets van gezien. Alasdair Roberts plaatst de zaken in historisch perspectief en vergelijkt de voorbije crisis met die van 1981-82. Hoewel die slechts zestien maanden duurde, was er toen veel meer onrust in de VS. In die korte periode waren er liefst 400 stakingen. En in september 1981 protesteerden ruim 250.000 boze burgers in Washington en 100.000 in New York tegen het beleid van president Ronald Reagan. De crisis die in 2008 begon, sneed nochtans dieper en duurde langer dan die van 1981-'82. Toch was de reactie van de bevolking deze keer makker. Roberts ziet een viervoudige verklaring. Het 'organiserende vermogen' van de vakbonden is ondermijnd, zodat het moeilijker is de onvrede van de leden te kanaliseren en te mobiliseren. Politiekorpsen zijn groter en beter uitgerust dan ooit tevoren. En technocraten in commerciële en centrale banken hebben ongekende macht gekregen om economische calamiteiten te voorkomen. Dat zijn al drie logische verklaringen. De vierde verklaring is evenwel paradoxaal. Volgens Roberts hebben de nieuwe technologieën niet geleid tot een massaler protest. De Facebook- en de Twitter-generatie beschikt over enorme netwerken om mensen te mobiliseren. Maar volgens Roberts gebeurt net het omgekeerde. Het mobiliseren via van de nieuwe informatietechnologieën kan door overheden sneller gedetecteerd worden dan vroeger, en daar spelen ze op in. Roberts stelt dat regeringen in de jongste drie decennia nieuwe strategieën hebben uitgevonden om om te gaan met onvrede over het vrijemarktbeleid. De auteur toont aan dat regeringen altijd al bezig geweest zijn met het beheersen van dissidentie. De vraag is of ze geen nieuwe bedreiging vormen voor de democratische waarden. Tot slot geeft de auteur nog een waarschuwing. Vandaag hebben de regeringen effectieve manieren gevonden om de onvrede van de burgers te beteugelen, maar de blijvende effectiviteit van deze strategie is volgens Roberts geenszins zeker. De stille crisis kan plots en onverwachts erg luidruchtig worden. Alasdair Roberts, The End of Protest. How Free-Market Capitalism Learned to Control Dissent, Cornell, 2013, 101 blz., 11 euro THIERRY DEBELS