De auteur is adjunct-hoofdredacteur van The Economist.
...

De auteur is adjunct-hoofdredacteur van The Economist. De regering- Bush heeft hard gewerkt om de Doha-ronde in leven te houden. In die overlegcyclus - gestart in 2001 in Doha (Qatar) - trachten de 146 landen van de Wereldhandelsorganisatie ( WHO) een overeenkomst te bereiken over een verdere liberalisering van het verkeer van goederen en diensten. Zoellick speelde een belangrijke rol bij de totstandkoming van een voorlopige overeenkomst om de ontwikkelingslanden weer rond de tafel te brengen na het fiasco van de conferentie van Cancún in september 2003. Op zijn aandringen deden de rijke landen vage beloften om de landbouwsubsidies in te perken en uiteindelijk weg te werken. De rijke landen matigden ook hun eisen in andere domeinen, zoals het nemen van maatregelen om de markten te openen. De aarzelende hervatting van de gesprekken toont aan hoe noodzakelijk de Amerikaanse bereidheid bij dit alles is. Als de VS in 2005 geen prioriteit maakt van Doha, zal de poging mislukken. Intussen is de regering-Bush druk bezig geweest met de uitwerking van wat ze beschouwt als een aanvulling op het multilaterale proces van de WHO. De regering-Bush noemt dat beleid 'concurrerende liberalisering'. Het idee: bilaterale akkoorden sluiten met volgzame gelijkgezinde landen en zo de ingewikkelde wereldwijde overeenkomsten omzeilen. Of een proliferatie van dergelijke individuele overeenkomsten met landen als Australië, Marokko, Chili en Jordanië op zich wenselijk is, is twijfelachtig. In elk geval verstoren ze hier en daar de handel, terwijl ze hem elders bevorderen. Of er bij dergelijke overeenkomsten een win-winsituatie tot stand komt, moet geval per geval bekeken worden. Dergelijke pacten bieden belangengroepen die gekant zijn tegen verdere hervormingen een stevige verankering (omdat de bestaande begunstigden liever hun speciale privileges voor zichzelf houden). Vaak bevatten ze ook initiatieven op het vlak van arbeids- en milieunormen die tegen een liberalisering ingaan. Als de VS aan tafel gaat zitten met kleine landen, elk apart, dan zit het in een enorm sterke onderhandelingspositie. Het kan op die controversiële domeinen dan ook aanzienlijke toegevingen losweken, omdat de voordelen van de toegang tot de Amerikaanse markt voor de betreffende handelspartner zo groot zijn. Het is best mogelijk dat die toegevingen op zich niet in het belang zijn van het kleinere land: de kostprijs kan hoger liggen dan arme landen kunnen dragen en de toegevingen kunnen de groei van de export naar andere landen hinderen. Het gevaar bestaat eveneens dat dergelijke toegevingen de antihandelsmiddens in de VS aanmoedigen om in alle soortgelijke overeenkomsten dezelfde handelsbeperkende voorwaarden te eisen. Het alternatief van de bilaterale overeenkomsten neemt het WHO-proces de wind uit de zeilen. Dat is verontrustend omdat het fundamentele engagement van de regering-Bush voor een vrijere handel zo al op de helling staat. De Amerikaanse invoering van tarieven op staal vormde een verrassende wending. Die politiek heeft naar schatting meer Amerikaanse jobs gekost (door de stijgende kosten voor de industriële gebruikers van staal) dan er in de hele Amerikaanse staalindustrie op het spel stonden. De dure landbouwwet was een andere maatregel die geen enkele vrijhandelaar zou willen verdedigen. Zolang de Amerikaanse arbeidsmarkt zwak blijft, zal de druk voor meer protectionisme toenemen. Misschien beperkt de Amerikaanse regering er zich wel toe om gewoon te verhinderen dat de Doha-ronde helemaal doodbloedt. Dan zijn we wel pijnlijk ver verwijderd van de ooit voorgespiegelde resultaten over de vrijmaking van de handel. Clive Crook Clive CrookZolang de Amerikaanse arbeidsmarkt zwak blijft, zal de druk voor meer protectionisme toenemen.