De auteur is columnist van The Times en directeur van GaveKal Research.
...

De auteur is columnist van The Times en directeur van GaveKal Research. Sinds begin jaren negentig blijkt Groot-Brittannië één van de performantste economieën. En voor 2004 is er nog meer goed nieuws op komst. In tegenstelling tot de eurozone hebben de Britten profijt kunnen halen uit een bewust cyclisch monetair beleid. De nationale bank zal de intrestvoeten soepel blijven vastleggen in een poging om niet alleen de inflatiedoelstellingen van de regering te halen, maar ook om de economische groei zo dicht mogelijk bij de lange-termijntrend te doen aansluiten. Het proactief monetair beleid van de Bank of England zou evenwel lang niet zo doeltreffend zijn zonder nog een groot verschil met de eurozone: de flexibiliteit van de Britse economie, het resultaat van 18 jaar deregulering onder de conservatieve Tory's (in 1979 op gang getrokken door IJzeren Dame Margaret Thatcher). Groot-Brittannië zou hoegenaamd niet de huidige werkloosheidsgraad kunnen aanhouden zonder de flexibiliteit van de arbeidsmarkt, besnoeiingen in bijstandsuitkeringen en de concurrentiementaliteit die ingevoerd werd in de nutsbedrijven en dienstensectoren waar kartels het voor het zeggen hadden. Om te begrijpen hoe Groot-Brittannië tijdens de wereldwijde recessie kon blijven groeien, terwijl een groot deel van de rest van Europa stagneerde, volstaat het om de snelle instorting van Marconi en Rover te vergelijken met de eindeloze doodsstrijd van Vivendi, Fiat of Alstom. Net als in 2003, zal ook in 2004 de regering een grote bijdrage leveren aan de Britse groei en tewerkstelling - en hier mag een groot verschil met de VS opgetekend worden. Groot-Brittannië is sinds 2001 overgeschakeld van een strak naar een tamelijk expansief begrotingsbeleid. Die begrotingsstimulans, zowat 2,5 % van het BBP, was veel doeltreffender om zowel de groei als de tewerkstelling een ruggensteun te geven dan de desnoods nog grotere begrotingsstimulans (meer dan 4 % van het BBP) die president Bush de VS gegeven heeft. De Amerikaanse prikkel bestond voor een groot deel uit belastingverlagingen voor de hoogste inkomensschijven, terwijl de berooide staten honderdduizenden laagbetaalde werknemers uit de publieke sector op straat zetten. In Groot-Brittannië werkte die stimulans net omgekeerd: de regering wierf duizenden nieuwe verpleegkundigen en leerkrachten aan en verhoogde hun lonen aanzienlijk. De rekening daarvoor werd grotendeels voorgeschoteld aan de meerverdieners onder de vorm van sluikbelasting. Wat men ook moge denken over de lange-termijneffecten van hogere overheidsbestedingen en belastingen, de onmiddellijke weerslag op de vraag kwam wonderwel overeen met wat in het Keynesiaanse model voorspeld wordt: de werknemers uit de openbare sector gaven snel hun inkomensverhogingen uit, gaven daardoor de economie een oppepper en zorgden er mee voor dat de gevreesde recessie nooit doorbrak. De Britse premier Tony Blair blijkt efficiënter dan de Amerikaanse president Bush. Maar wat met de lange termijn? De openbare financiën van Groot-Brittannië zijn in het rood geduikeld en zullen, zo ver het oog reikt, een tekort blijven vertonen. Maar de tekorten die in het verschiet liggen (tussen 1 en 4 % van het BBP) zullen het koninkrijk nog altijd de laagste schuld-BBP-ratio opleveren van alle G7-landen. Die voorspelling is afhankelijk van twee voorwaarden. Ten eerste moet de economie blijven groeien met zowat 2,5 %, wat zo goed als zeker lijkt. Ten tweede moet de regering haar belofte nakomen dat ze de groei van de openbare bestedingen zal terugdringen van 5 % per jaar in reële termen tot zowat 3 % na 2005. En de pensioenen? Heel wat pensioenfondsen zullen zich gedeisd houden, maar enkele hervormingen (zoals een verhoging van de pensioenleeftijd) zullen voor een gezonde ontwikkeling zorgen. Op dat vlak is de situatie van Groot-Brittannië eens te meer veel beter dan in andere Europese landen, dankzij de minder verontrustende demografie. De Britse bevolking zal pas vanaf 2030 afnemen. De productiviteitsgroei, de poverste onder de G7-landen, blijft de eeuwige smet op de Britse economische prestaties. Maar ook door die wolk priemt de zon op verschillende plaatsen door. De reële productiviteit ligt in Groot-Brittannië hoger dan het lijkt, omdat de gebruikelijke statistieken zwaar de nadruk leggen op kwaliteitsverbeteringen in de sector van de afgewerkte producten (zoals computers), maar niet bijstellen voor diensten met een hoge waarde (zoals financiën, juridische diensten en reclame). De snelle prijsstijging van die diensten doet vermoeden dat de kwaliteit ervan gestegen is ten opzichte van de basisgrondstoffen en de afgewerkte producten. Kortom, Groot-Brittannië heeft kunnen genieten van een enorme ruilvoetwinst in vergelijking met landen als Duitsland en Japan, die zich gespecialiseerd hebben in afgewerkte producten. Het voordeel dat Groot-Brittannië put uit de specialisatie in hoogwaardige diensten zou in de komende jaren nog kunnen toenemen, naarmate China en andere ontwikkelingslanden de prijzen van afgewerkte producten naar beneden duwen. Groot-Brittannië is één van de zeldzame landen die met een zekere gemoedsrust kunnen uitkijken naar een toekomst waarin alle afgewerkte producten een stempel Made in China dragen. Anatole KaletskyGroot-Brittannië is een van de zeldzame landen die met een zekere gemoedsrust kunnen uitkijken naar een toekomst waarin alle afgewerkte producten een stempel 'Made in China' dragen.