Grote bedrijven, in het bijzonder multinationals, genieten vandaag geen al te beste reputatie. Ze zijn onvoorstelbaar agressief op de markt, voeren onethische marketingcampagnes of beroven de aarde van haar bodemschatten.
...

Grote bedrijven, in het bijzonder multinationals, genieten vandaag geen al te beste reputatie. Ze zijn onvoorstelbaar agressief op de markt, voeren onethische marketingcampagnes of beroven de aarde van haar bodemschatten. Sommige multinationals doen echt flink hun best. Neem nu de oliesector. Na alle schandalen bij Exxon en Shell is nu BP aan de beurt: niet alleen boeken de maatschappijen wansmakelijke winsten (niet onze woorden, maar die van het Amerikaanse blad Fortune) en vervalsen ze de gasmarkt, nu laten ze ook nog de olieleidingen in Alaska verroesten. Maar was het vroeger dan anders? Neem even de Vereenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Geen kleine jongen. In 1702 had de Compagnie alleen in Azië 20.000 man in dienst, en één vrouw, een vroedvrouw. En dan nu maar klagen over glazen plafonds, diversiteit op de werkvloer, gebrek aan carrièremogelijkheden voor minderheden. Op dat moment kwam 10 % tot 15 % van de buitenlandse handel van Nederland voor rekening van de VOC! En nu klagen over monopolies. Alles werd streng geheimgehouden. Niets mocht door buitenstaanders worden geraadpleegd. Van corporate governance hadden ze blijkbaar nog nooit gehoord. Want de directeuren "vonden het nuttig alles geheim te houden en altoos voor het publiek te verbergen". Alleen de advocaat van de Compagnie, Pieter van Dam, kende alle geheimen. Als advocaten bedrijven leiden, weet je genoeg. VOC stond weldra voor Vergaan Onder Corruptie. Mission statement: aanvalleuh! De missieverklaring van de Oost-Indische Compagnie loog er nochtans niet om: val de Britten en de Spanjaarden aan waar je kunt. Dat is een van de duidelijkste mission statements aller tijden: concreet, uniek, inspirerend en snel te vertalen naar de dagelijkse praktijk: enterhaken, kanonnen, geweren. Maar toch vrij agressief voor een bedrijf, sorry een compagnie, afgeleid van het Latijn, cum pane, iemand met wie je brood deelt, iemand die je kunt vertrouwen. Moeten die Spanjaarden nogal geschrokken zijn, als ze met het brood in de ene hand, en de romer wijn in de andere vol vertrouwen wilden samenwerken en plots een enterhaak in de buik kregen. En wat deed de VOC nog? Uiteraard ontwikkelingslanden leegplunderen en beroven van allerlei specerijen. Er werden monopolies gevestigd op cruciale grondstoffen zoals kruidnoot. Desnoods werden enkele duizenden inboorlingen vermoord. In die tijden werd de lokale bevolking soms tot een tiende herleid. Wie klaagt er dan over gebrek aan werkzekerheid? Uiteraard had één groep werkzekerheid: de slaven. Hun werk werd niet geoutsourced. Het enige wat nog ontbrak, was een lekker financieel schandaal. Dat liet niet lang op zich wachten. De beurs van Amsterdam was opgericht in 1611, niet toevallig om de hoek van de VOC. Ze hadden veel risicokapitaal nodig. Want af en toe ging er wel iets fout. Maar al in 1636 kon er een nooit geziene zeepbel ontstaan rond spraaktechnologie, sorry tikfoutje, rond tulpen. Men betaalde tot tien keer een gemiddeld jaarloon voor één tulpenbol... tot de tulpenbel barstte. Want was is kapitalisme zonder af en toe een leuke crash? Dochter als relatiegeschenk. Dat was allemaal nog klein bier vergeleken met die andere vertegenwoordiger uit de transportsector. De Britse East India Company wou rond 1600 ook veel brood delen. Het beschikte daarvoor over een eigen leger, eigen ambtenaren en bouwde het grootste deel van de Londense haven. Uiteraard plunderde het bedrijf eerst... zijn eigen klanten (wat sommige softwaregiganten nu nooit zouden doen). Met een serie van vijf wetten gaf de Engelse koning in 1670 de Compagnie het recht om zelf gebieden te veroveren, munt te slaan, oorlog te voeren en recht te spreken in de bezette gebieden. Ik denk dat elke rechtgeaarde zakenman nu met heimwee aan die tijden terugdenkt. Zelf recht spreken! Zelf munt slaan! De ethiek in de marketing stond toen op eenzaam hoog niveau. De sultan van Achin vroeg een "Engelse roos" voor zijn harem. Het marketingteam vond snel een meisje dat rad van tong was, beslagen inzake muziek en naaiwerk (letterlijk te begrijpen, het is onze vertaling van needlework). Een manager bood namelijk zijn eigen dochter aan. In die tijd bestond er niet zo'n strikte scheiding tussen werk en privé. Vaders waren bovendien bereid voor hun bedrijf tot het uiterste te gaan. Nu durven ze hooguit een verjaardagsfeestje van een dochter missen. En ook toen al was er een overheid die met verouderde opvattingen het bedrijfsleven boycotte: koning James II stak eigenhandig een stokje voor dit relatiegeschenk. De marketingcampagne ging niet door. Kortom, beste lezer, vroeger was het veel beter, maar in een richting die je niet zou verwachten: meer bewegingsruimte voor het bedrijfsleven, meer bevoegdheden, minder bemoeizucht, maar misschien ook iets minder hoge ethische standaarden. We zijn erop vooruitgegaan, zelfs als de oliemaatschappijen af en toe, heel eventjes, wat overdrijven. De auteur is hoofddocent aan de Universiteit Gent en partner van de Vlerick Leuven Gent Management School. Reacties: marc.buelens@trends.beMarc Buelens