De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. Het parlement heeft enkele maanden geleden een wet aangenomen die het juridisch statuut van de vrijwilligers in belangrijke mate moet verbeteren. De wet zegt onder meer in welke gevallen een vrijwilliger aansprakelijk kan worden gesteld, hoe een activiteit als vrijwilliger gecombineerd kan worden met het recht op sociale uitkeringen enzovoort. Maar wat ons in deze rubriek vooral interesseert, is hoe de wetgever de vergoedingen ziet die aan vrijwilligers worden uitbetaald. De hamvraag is of zij al dan niet belastbaar zijn. De fiscus worstelt al langer met dit probleem. Hij heeft er belang bij dat alles wat uitgekeerd wordt, aan belasting onderworpen wordt. Tegelijk is het volstrekt abnormaal dat een vrijwilliger belast zou worden op een vergoeding die niets meer dan een normale kostenvergoeding is. Om deze discussie in de praktijk op te lossen, heeft de administratie een aantal jaar geleden beslist dat een forfaitaire vergoeding die aan vrijwilligers wordt uitbetaald, niet belastbaar is op voorwaarde dat ze een bepaalde dag- of jaargrens niet overschrijdt. Die grens bedraagt op dit ogenblik (na indexaanpassing) 27,37 euro per dag en 1094,79 euro per jaar. De sociale wetgever sloot zich principieel bij die regeling aan. Dat betekent dat een forfaitaire vergoeding die de voormelde grenzen niet overschrijdt, in principe een vrijstelling geniet. Het getuigt van wijsheid van de wetgever dat hij bij het uitwerken van het nieuwe statuut voor de vrijwilligers, rekening heeft gehouden met de regeling die al vele jaren op zowel fiscaal als sociaal gebied geldt. Kwartaal. Maar de wetgever zou de wetgever niet zijn als hij een bestaande regeling gewoon ongewijzigd zou overnemen. Dit is dan ook nu niet gebeurd. In de nieuwe wettelijke regeling voor vrijwilligerswerk wordt enerzijds wel gezegd dat een vrijwilliger zijn statuut niet verliest als hij een forfaitaire kostenvergoeding verkrijgt die de voormelde grenzen niet te boven gaat. Maar anderzijds heeft de wetgever het niet kunnen nalaten om nog een bijkomende grens in te bouwen. Behalve een dag- en een jaargrens zal voortaan ook een kwartaalgrens gelden. Een forfaitaire kostenvergoeding zal nooit meer dan 600 euro per kwartaal mogen bedragen. Na indexaanpassing is die grens op dit ogenblik gelijk aan 662,46 euro. Wat de wetgever heeft bezield om die bijkomende begrenzing in te voeren, is niet meteen duidelijk. Er zijn daarover in het parlement wel wat verklaringen afgelegd. Maar die kunnen niet echt overtuigen. De nieuwe regeling straft vrijwilligers die hun activiteiten in een bepaalde periode van het jaar concentreren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Wat er ook van zij, de nieuwe regeling geldt pas vanaf 1 februari 2006. De overheid heeft dus nog een klein half jaar tijd om de juiste draagwijdte van de nieuwe regeling in te schatten en/of bij te sturen. Forfaitair. De nieuwe regeling voor vrijwilligers roept nog andere vragen op. Forfaitaire kostenvergoedingen mogen straks in principe niet hoger zijn dan de hoger vermelde dag-, kwartaal- en jaargrenzen. Daarnaast sluit zij niet uit dat toch nog hogere vergoedingen worden uitgekeerd. Maar het zal dan in geen geval nog mogen gaan om forfaitaire vastgestelde vergoedingen. De wet zegt duidelijk dat de vrijwilliger dan de realiteit en het bedrag van de (hogere) vergoede kosten moet kunnen aantonen aan de hand van bewijskrachtige documenten. Nochtans laat de nieuwe wet de poort naar hogere forfaitaire kostenvergoedingen op een kier staan. Hij zegt immers dat het vaststellen van hogere vergoedingen (dan de voormelde forfaitaire bedragen) mag gebeuren op de manier waarop de staat gerechtigd is om de kostenvergoeding van federale ambtenaren vast te stellen. In het jargon van de wetgever heet het dat de kosten (van vrijwilligers) mogen worden vastgesteld "overeenkomstig het Koninklijk Besluit van 26 maart 1965 houdende de algemene regeling van de vergoedingen en toelagen van alle aard toegekend aan het personeel van de federale overheidsdiensten". Wat de betekenis is van dit ambtenaren-Chinees, is niet meteen duidelijk. Temeer daar dit KB van 26 maart 1965 pas voor het grote publiek kenbaar is als men zich de moeite getroost het in de bibliotheek op te zoeken. U kunt zich de moeite besparen. In het KB staat te lezen dat kosten die steeds terugkeren, toch op forfaitaire wijze geraamd kunnen worden. Het volstaat dan dat u het bedrag ervan één keer aan de hand van bewijskrachtige gegevens aantoont en dat u dit bedrag vervolgens vermenigvuldigt met het aantal keren dat die kosten in werkelijkheid voorkomen. Bedenking. Uiteindelijk wil dit zeggen dat de wetgever toch nog hogere forfaitaire kostenvergoedingen toelaat (dan de voormelde grenzen). Op voorwaarde dat de forfaitaire kostenvergoeding gebaseerd is op ernstige en verifieerbare uitgangspunten. Twee bedenkingen: waarom kon de wetgever dit laatste niet duidelijk zeggen (in plaats van een omweg te maken via het bijna onvindbare KB van 26 maart 1965)? Twee: zoals gezegd, geldt de nieuwe regeling pas vanaf 1 februari 2006. Tegen die tijd heeft de administratie haar standpunt hopelijk duidelijk bepaald Jan Van DyckDe wetgever voert nu ook een kwartaalgrens in.