De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.
...

De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog. ividenden worden toegevoegd aan de belastbare winst van de vennootschap die ze uitkeert. Als dezelfde dividenden daarna ook nog eens belast zouden worden bij de vennootschap die ze ontvangt, dan krijg je economische dubbele belasting. Vandaar dat de Belgische wetgever al sinds jaar en dag toestaat dat de moedervennootschap de dividenden die zij van haar dochtervennootschap(pen) ontvangt, onder bepaalde voorwaarden in aftrek mag brengen van haar fiscaal resultaat. In het fiscale vakjargon spreekt men van de : de aftrek van definitief belaste inkomsten. EUROPA. Overigens kennen zowat alle landen een stelsel dat erop gericht is de dubbele belasting op dividenden weg te werken of minstens in te perken. De Europese Unie heeft van het wegwerken van die dubbele belasting jaren geleden zelfs een prioritair aandachtspunt gemaakt. De idee is dat binnen een eengemaakte markt dividenden zonder fiscale belemmering moeten kunnen doorstromen van de dochter- naar de moedervennootschap. Dit principe werd neergeschreven in de inmiddels vijftien jaar oude Europese moeder-dochterrichtlijn. Die eist dat de lidstaat waar de dochtervennootschap is gevestigd, zich onthoudt van bronbelasting - in België spreken we van roerende voorheffing - op de dividenden die zij uitkeert aan haar moedervennootschap in een andere lidstaat. De richtlijn vraagt bovendien dat de lidstaat waar de moedervennootschap is gevestigd, zich op haar beurt onthoudt van bijkomende belastingen op de ontvangen dividenden. Het resultaat is dat de dividenden in principe alleen in de lidstaat waar de dochtervennootschap gevestigd is, aan belasting onderworpen worden. PARTICIPATIE. Een van de toepassingsvoorwaarden van de moeder-dochterrichtlijn luidt dat de participatie van de moeder- in de dochtervennootschap een zekere omvang moet hebben. Tot nog toe was vereist dat die ten minste 25 % bedroeg. Enige tijd geleden werd op Europees niveau beslist om deze drempel te verlagen. Met ingang van 1 januari 2005 bedraagt hij nog slechts 20 %. Over twee jaar gaat hij verder omlaag naar 15 % en vanaf 1 januari 2009 zal hij nog slechts 10 % bedragen. België heeft zijn wetgeving inmiddels aan deze nieuwe evolutie aangepast. Het gevolg is dat op dividenden die een Belgische dochtervennootschap aan haar moedervennootschap uitbetaalt, voortaan geen roerende voorheffing meer verschuldigd is zo- dra de participatie de drempel van 20 % bereikt (en alle andere voorwaarden vervuld zijn). De Belgische regeling geldt overigens niet alleen bij grensoverschrijdende dividenduitkeringen, maar ook bij louter binnenlandse verrichtingen. Een Belgische dochter die aan haar Belgische moeder een dividend uitkeert, is bijgevolg ook niet verplicht om roerende voorheffing in te houden, op voorwaarde dat de participatie de door de richtlijn vooropgestelde minimumdrempel haalt. DBI. De minimumdrempel speelt niet alleen bij de vrijstelling van roerende voorheffing. Zoals gezegd, eist de richtlijn niet alleen dat de lidstaat van de dochter zich van bronbelasting onthoudt. Ook de lidstaat van de moeder moet zich van verdere belasting onthouden. In België wordt die laatste onthouding gerealiseerd door het stelsel van de DBI-aftrek. De verlaging van de minimaal vereiste participatie geldt ook op dit gebied. Maar België is hier bij de betere leerlingen van de klas. De Belgische wetgever heeft de minimaal vereiste participatiegraad voor de DBI-aftrek een aantal jaar geleden al vastgesteld op 10 % (een percentage dat volgens de richtlijn pas tegen begin 2009 gehaald moet worden). Ook deze regeling is in België zowel op grensoverschrijdende als op louter nationale dividenduitkeringen van toepassing. VERBOD. Maar dit wil niet zeggen dat alles op het gebied van de DBI-aftrek nu in orde is met de Europese regels. Zo bevat de Belgische wetgeving een regeltje dat in een verbod voorziet om de DBI-aftrek toe te passen op het fiscaal resultaat dat bestaat uit bepaalde uitgaven die niet als beroepskosten aftrekbaar zijn. De logica achter deze regeling is duidelijk. Neem bijvoorbeeld de autokosten. Die zijn in de regel maximaal tot 75 % aftrekbaar. 25 % wordt aan het fiscaal resultaat toegevoegd. Deze beperking heeft geen effect voor een vennootschap die een overschot aan aftrekbare DBI's heeft. Het fiscaal resultaat dat uit verworpen autokosten bestaat, wordt zonder meer gecompenseerd met aftrekbare dividenden. Vandaar dat de wetgever jaren geleden besliste om de DBI-aftrek uit te sluiten in de mate dat hij zou worden toegepast op het fiscaal resultaat dat uit dergelijke verworpen uitgaven bestaat. Maar dat is buiten de Europese moeder-dochterrichtlijn gerekend. Die eist dat de ontvangen dividenden worden vrijgesteld. Hun aftrek mag niet beperkt worden. Vandaar dat België zijn wetgeving nu heeft aangepast. De ontvangen dividenden zullen voort- aan ook mogen worden afgetrokken van het fiscaal resultaat dat uit dergelijke verworpen uitgaven bestaat. Althans voor zover het gaat om dividenden die van binnen de Europese Unie afkomstig zijn. De wet is goedgekeurd. Het is alleen nog wachten op publicatie in het Belgisch Staatsblad. Jan Van DyckDe verlaging geldt ook voor louter binnenlandse dividenduitkeringen.