Tijdens een toespraak die minister van Financiën Didier Reynders ( MR) een drietal jaar geleden hield, en waarin hij vooruitblikte op het fiscale beleid, hield hij zijn toehoorders voor "dat dringend komaf gemaakt moet worden met de wetgevende inflatie waaraan ons land al veel te lang lijdt". En ook nog: "Het moment is gekomen om minder maar vooral beter wetgevend werk te verrichten."
...

Tijdens een toespraak die minister van Financiën Didier Reynders ( MR) een drietal jaar geleden hield, en waarin hij vooruitblikte op het fiscale beleid, hield hij zijn toehoorders voor "dat dringend komaf gemaakt moet worden met de wetgevende inflatie waaraan ons land al veel te lang lijdt". En ook nog: "Het moment is gekomen om minder maar vooral beter wetgevend werk te verrichten." Nu, drie jaar later, blijft van deze goede intenties niet veel meer over. In het begin van de legislatuur is het weliswaar een tijdje stil geweest. Maar dat was slechts stilte voor de storm. Nu het einde van de regeerperiode in zicht is, regent het fiscale wetten en wetjes. Met onlangs als blikvanger de wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting en de Programmawet, waarin onder meer ook talrijke, zeer uiteenlopende fiscale zaken geregeld worden. Betere wetgeving? Ook de goede intentie om 'beter' wetgevend werk te verrichten, valt moeilijk geslaagd te noemen. De wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting is op verschillende punten een hersenbreker. Hij 'verbetert' de bestaande wetgeving, in de zin dat hij in een verlaging van het tarief van de vennootschapsbelasting voorziet. Maar van een 'verbetering' van het wetgevend werk is geen sprake als men bekijkt hoe de wet totstandgekomen is. Een wetsontwerp dat bij het parlement wordt ingediend, wordt eerst in de bevoegde commissie besproken. De commissieleden krijgen er de gelegenheid om kritische vragen te stellen, die dan door de minister beantwoord worden. Van die besprekingen wordt telkens een verslag gemaakt en gepubliceerd. Deze verslagen zijn voor de praktijk van bijzonder belang. Samen met de 'memorie van toelichting' die aan elk wetsontwerp voorafgaat, bieden ze meestal een schat aan informatie over de zienswijze van de wetgever, en dus over de manier waarop de wet geïnterpreteerd moet worden.Niet zo met de wet tot hervorming van de vennootschapsbelasting. Hoewel deze wet op verschillende punten erg onduidelijk is, zijn de nuttige preciseringen in het verslag van de Kamercommissie voor de Financiën op één hand te tellen. Met als gevolg dat bijvoorbeeld de prangende vragen over de toepassing van de nieuwe 10%-heffing op de bonus die men verkrijgt bij de inkoop van eigen aandelen, grotendeels onbeantwoord blijven. Privé-pc. Met de fiscale bepalingen in de Programmawet is het iets beter gesteld. Maar ook hier blijven veel vragen bestaan. Neem bijvoorbeeld het nieuwe pc-privé-plan. Krachtens deze maatregel zal de werkgeversbijdrage in de privé-aankoop van een pc met randapparatuur in bepaalde mate vrijgesteld worden van belasting. De vrijstelling zal slaan op 60% van de aankoopprijs (exclusief BTW), en zal in absolute termen nooit hoger kunnen zijn dan (nog te indexeren) 1250 euro 'per aanbod'. De voorwaarden zijn - zoals gebruikelijk - legio. Zo zal de aankoop moeten passen in een plan dat op heel het personeel van toepassing is. Voorts zal vereist zijn dat de aankoop slaat op "een geheel van pc, randapparatuur en printer, internetaansluiting en internetabonnement, alsook de voor de bedrijfsvoering dienstige software". Daarover ondervraagd heeft de minister in de Kamercommissie gepreciseerd dat de aankoop inderdaad op een 'geheel' van elementen moet slaan, "zonder dat het noodzakelijkerwijze moet gaan over alle elementen die aangeduid zijn in de wet". De aankoop van 'losse' elementen zou daarentegen niet in aanmerking komen.Een dergelijke precisering helpt de zaak niet veel vooruit. Geen losse elementen, dat is duidelijk. Maar vanaf wanneer is er sprake van een geheel? Bovendien zullen veel werkgevers zich vertwijfeld afvragen wat ze moeten doen wanneer een werknemer al over een pc beschikt. Welk geheel moet zo'n werknemer aankopen vooraleer de werkgeversbijdrage vrijgesteld wordt? Vragen die minstens voorlopig onbeantwoord blijven. Niet in natura. Een van de andere voorwaarden luidt dat de werkgever op geen enkel moment eigenaar geweest mag zijn van de apparatuur die de werknemer aankoopt. De werknemer moet ze dus bij een derde aankopen. Daaruit volgt ook dat de terbeschikkingstelling van een computer 'in natura' niet voor de belastingvrijstelling in aanmerking komt. De werkgever moet 'geldelijk' bijdragen in de aankoop die zijn werknemer doet. Het voordeel dat voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een computerconfiguratie in natura (voor privé-doeleinden) blijft volgens de normale regels als voordeel van alle aard belastbaar. Met dien verstande dat de memorie van toelichting een forfaitaire raming van dit voordeel in het vooruitzicht stelt. Twee andere belangrijke vragen blijven ook nog onbeantwoord. Als de terbeschikkingstelling van een computerconfiguratie in natura (voor privé-doeleinden) in principe belastbaar blijft, terwijl de financiële bijdrage in de aankoop van een pc met randapparatuur in belangrijke mate van belasting wordt vrijgesteld, is er dan geen sprake van discriminatie? En wat met de sociale bijdragen? De Programmawet regelt de fiscale vrijstelling van de geldelijke werkgeversbijdrage, maar zwijgt over het lot van dezelfde bijdrage op het gebied van de socialezekerheidsbijdragen. Voor zover men kan zien, blijven die volgens de gewone regels verschuldigd. Jan Van Dyck [{ssquf}]De auteur is advocaat en hoofdredacteur van Fiscoloog.De vrijstelling van belasting geldt voor 'het geheel' van de pc, de randapparatuur en de software. Maar wat versta je onder een 'geheel'?