De rapporten van zowel het Planbureau, de Nationale Bank en de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid liegen er niet om: de komende kwartalen zal de werkloosheid in België snel toenemen. Vooral 2010 dreigt een zwart jaar te worden. De arbeidsmarkt reageert altijd met 6 tot 9 maanden vertraging op conjunctuurschommelingen. Wanneer de bestaande flexibiliseringsinstrumenten zoals tijdskrediet, tijdelijke werkloosheid, arbeidsduurverkorting of uitzendwerk zijn uitgeput, zijn massale ontslagen onvermijdelijk. Tussen eind 2008 en eind 2010 zouden 140.000 arbeidsplaatsen verloren gaan. Rekenen we daar de toename van de beroepsbevolking bij (+33.000 op jaarbasis) - die het moeilijker zal hebben om een job te vinden - dan zou België tussen eind 2008 en eind 2010 meer dan 200.000 extra niet-werkende werkzoekenden tellen.
...

De rapporten van zowel het Planbureau, de Nationale Bank en de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid liegen er niet om: de komende kwartalen zal de werkloosheid in België snel toenemen. Vooral 2010 dreigt een zwart jaar te worden. De arbeidsmarkt reageert altijd met 6 tot 9 maanden vertraging op conjunctuurschommelingen. Wanneer de bestaande flexibiliseringsinstrumenten zoals tijdskrediet, tijdelijke werkloosheid, arbeidsduurverkorting of uitzendwerk zijn uitgeput, zijn massale ontslagen onvermijdelijk. Tussen eind 2008 en eind 2010 zouden 140.000 arbeidsplaatsen verloren gaan. Rekenen we daar de toename van de beroepsbevolking bij (+33.000 op jaarbasis) - die het moeilijker zal hebben om een job te vinden - dan zou België tussen eind 2008 en eind 2010 meer dan 200.000 extra niet-werkende werkzoekenden tellen. Het gaat natuurlijk slechts om voorspellingen, maar cruciaal is toch de vraag hoe lang die werklozen zonder job blijven. Als ze meer dan een jaar in de werkloosheid verzeild raken, wordt het steeds moeilijker om zich opnieuw in het arbeidscircuit te kunnen integreren. En hier dreigt Vlaanderen een heel stuk in de tijd teruggeslagen te worden. De regionale werkloosheidscijfers lopen - zoals bekend - enorm uiteen. De Brusselse werkloosheidsgraad (het totaal aantal werkzoekenden ten opzichte van de beroepsbevolking) bedraagt 16 procent. In Wallonië is dat 10,1 procent tegenover 4 procent in Vlaanderen. Opvallend daarbij is dat Vlaanderen veel minder langdurige werklozen (meer dan één jaar werkloos) telt dan de andere twee gewesten (zie tabel Langdurige werkloosheid in België). Ongeveer een derde van de Vlaamse werklozen zit langer dan een jaar zonder werk. In Wallonië en Brussel is dat meer dan de helft. In België scoort enkel Vlaanderen beter dan het EU-15 en EU-27-gemiddelde van respectievelijk 40 en 42,7 procent langdurig werklozen. Vraag is of dat zo zal blijven. De komende maanden zullen niet alleen mensen zonder werk vallen, maar er zullen vooral meer werklozen de grens van één jaar werkloosheid overschrijden. De uitstroom uit de kortstondige werkloosheid leidt op die manier in grotere mate tot een instroom in langdurige werkloosheid. En dat is een groot risico voor Vlaanderen: de conjuncturele werkloosheid dreigt om te slaan in een structurele. In Wallonië en Brussel wordt de structurele werkloosheid gewoon bevestigd. "De voorbije maanden heeft de regering geprobeerd het aantal ontslagen te vermijden met allerlei maatregelen zoals arbeidsduurvermindering en tijdelijke werkloosheid", zegt arbeidsmarktexpert Marc De Vos, directeur van de denktank Itinera. "Dat betekent ook dat de relatieve positie van de werklozen verslechterd is, want de muren die al waren opgetrokken en de toegang tot de arbeidsmarkt belemmerden, zijn nog verhoogd. En als de economie weer aantrekt, zullen eerst alle regeringsmaatregelen moeten zijn uitgedoofd voor er weer wordt aangeworven. Het kan dus een hele tijd duren voor de werklozen weer aan de slag kunnen." De Hoge Raad voor de Werkgelegenheid stelt in haar rapport van juni 2009 dat "alles in het werk moet worden gesteld om erop toe te zien dat de conjuncturele werkloosheid, die als gevolg van de crisis snel groeit, niet omslaat in structurele werkloosheid". Een van de instrumenten om de groei van de structurele werkloosheid te counteren, is de opvolging van het zoekgedrag van de werkzoekenden door de RVA samen met een zogenaamde sluitende aanpak of de begeleiding en opleiding van werklozen door de regionale bemiddelingsdiensten zoals de VDAB. Die heeft ervoor gezorgd dat de langdurige werkloosheid sterk werd teruggedrongen, al zijn de resultaten in Vlaanderen opnieuw veel beter dan de andere gewesten. Vlaanderen wist de langdurige werkloosheid in twintig jaar te halveren. In Wallonië en Brussel nam die slechts met 20 procent af. Maar de sluitende aanpak is volgens arbeidsmarktexperts natuurlijk niet voldoende om de strijd met de structurele werkloosheid aan te gaan. "Activering is goed maar heeft een beperkt effect als er weinig jobs zijn. Dan is activering een brug naar nergens", stelt De Vos. Ook andere elementen hebben trouwens een impact op de werkloosheidscijfers zoals een rigide arbeidsmarkt, gekenmerkt door jobzekerheid in plaats van werkzekerheid en door wat de Leuvense econoom Wouter Torfs in een recente studie "een beperkte interindustriële substitueerbaarheid van arbeidskrachten noemt". Eigen aan de Belgische arbeidsmarkt is het grote gebrek aan mobiliteit. Dan gaat het niet alleen over geografische mobiliteit maar ook functionele of beroepsmobiliteit waarbij werknemers in de loop van hun carrière voor een andere functie, werknemer of sector kiezen. Dat gebeurt te weinig en heeft te maken met de terughoudendheid van de Belgen om carrières een andere wending te geven. Hier pleit De Vos een mentaliteitswijziging: "We moeten beseffen dat we in een transitie-economie zitten en werkzoekenden moeten dus ook openstaan voor jobs in andere sectoren of functies waarvoor ze niet direct hebben gestudeerd." Die gebrekkige mobiliteit ligt in crisisperiodes niet alleen aan de basis van een stijgende structurele werkloosheid, maar verklaart ook waarom er zoveel Belgen 'inactief' zijn en blijven. Want de werkloosheidgraad - of de verhouding tussen werkenden en de totale beroepsbevolking - is slechts een deel van het verhaal. Op zijn minst even belangrijk is de activiteitsgraad. De activiteitsgraad of participatiegraad geeft de verhouding weer van de beroepsbevolking ten opzichte van de potentiële beroepsbevolking. Anders gezegd geeft de activiteitsgraad aan in welke mate de bevolking op arbeidsleeftijd (15-64) zich aanbiedt op de arbeidsmarkt. Inzake activiteitsgraad scoort België zoals bekend in Europees perspectief zeer zwak. De Belgische inactiviteitsgraad ligt boven het Europese gemiddelde: in 2008 waren 32,9 procent van de personen op arbeidsleeftijd inactief tegen gemiddeld 29,1 procent in de EU. De inactiviteitsgraad is het laagst in Vlaanderen (30,8 procent), en het hoogst in Wallonië (36,4 procent). Brussel scoort ook zwakker met 33,8 procent. Als we weten dat er 6,9 miljoen Belgen op arbeidsleeftijd zitten, dan telt ons land 2,3 miljoen inactieven (brugpen-sioen, tijdskrediet,...) tussen 15 en 64 jaar. Het probleem is vooral acuut bij de 55-plussers. Daarvan werkt slechts 34 procent. Een aantal cijfers van het VBO en de Nationale Bank verduidelijken: in de groep 50-64 jaar waren er in 2007 bijvoorbeeld 107.810 beschikbare werklozen, 108.173 vrijgestelde werklozen, 113.579 vrijgestelde bruggepensioneerden, 204.760 gepensioneerden, 5.907 voltijdse loopbaanonderbrekers en nog 549.256 andere inactieven (arbeidsongeschikten, huisvrouwen zonder inkomen,...). Academici waarschuwen voor het risico dat dit legioen inactieven door de crisis nog toeneemt; de strengere regels van het Generatiepact ten spijt. Door Alain MoutonIn Vlaanderen dreigt de conjuncturele werkloosheid om te slaan in een structurele. In Wallonië en Brussel wordt de structurele werkloosheid gewoon bevestigd.