Spanje krijgt het in 2012 bijzonder zwaar. Mariano Rajoy van de centrum-rechtse Partido Popular erft een land dat veel minder zelfvertrouwen uitstraalt dan in maart 2004, toen Rajoy voor het eerst verloor van de socialisten van José Luis Rodríguez Zapatero. Het land staat ook onder toenemende druk van de obligatiemarkten.
...

Spanje krijgt het in 2012 bijzonder zwaar. Mariano Rajoy van de centrum-rechtse Partido Popular erft een land dat veel minder zelfvertrouwen uitstraalt dan in maart 2004, toen Rajoy voor het eerst verloor van de socialisten van José Luis Rodríguez Zapatero. Het land staat ook onder toenemende druk van de obligatiemarkten. In de twee decennia vóór 2009 geraakten de meeste Spanjaarden gewend aan toenemende welvaart: gestage groei, stijgende lonen en een scherpe daling van de werkloosheid. Zapatero waakte erover dat niet te verstoren met een onverantwoordelijke bestedingswoede. Hij slaagde er evenwel niet in de structurele hervormingen in de arbeids- en andere markten door te voeren die noodzakelijk zijn om de concurrentiekracht van de economie te herstellen. Hij ging zich te buiten aan sociale en culturele schermutselingen met de Spaanse Conservatieven en deed aanzienlijke inspanningen om de Spaanse autonome, maar niettemin onhandelbare regio's te paaien. De wereldwijde economische crisis en de narigheid met de euro hebben Spanje zwaar getroffen. Omdat hij onder zware druk stond om aan te tonen dat zijn land zich niet in dezelfde toestand bevond als Griekenland, Portugal en Ierland, be-keerde Zapatero zich alsnog tot de doelstelling van bezuinigingen en bredere hervormingen. De nieuwe regering zal echter de verloren tijd moeten inhalen. De economie is weliswaar uit de recessie geklommen, maar de groei is nog altijd uiterst laag. De begroting is zo goed als onder controle (het tekort zou in 2013 of 2014 onder 3,5 procent van het bbp moeten uitkomen en de staatsschuld ligt onder het gemiddelde van de eurozone) en de grondwet werd aangepast om toekomstige tekorten strikt binnen de perken te houden. Maar de regio's, die meer dan een derde van de openbare bestedingen inpalmen, kunnen nog roet in het eten gooien. Verontrustender is het gebrek aan voor de hand liggende bronnen van groei nu de Spaanse vastgoedbubbel uiteengespat is. Het land heeft aan concurrentiekracht verloren ten opzichte van Duitsland en zelfs Frankrijk. De productiviteitsgroei blijft hangen onder het niveau van de loonstijgingen. En de gastarbeiders die toegestroomd zijn tijdens de boomperiode in de bouw duwen nu het aantal werklozen omhoog. De werkloosheid, die rond 22 procent draait bij de volwassenen en een ontstellende 45 procent haalt onder de jongeren, is meer dan ooit Spanjes grootste probleem. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de Spanjaarden veel sympathie opbrengen voor de ' indignados', de ontluikende beweging van jongeren die protesteren tegen hun sombere vooruitzichten. De Spaanse werkloosheid wordt weliswaar kunstmatig hoog gehouden door de aanzienlijke zwarte markt. Maar vergeleken met andere Europese landen is het systeem van sociaal overleg veel te gecentraliseerd, zijn de effectieve minimumlonen te hoog, is de belastingkloof die geschapen wordt door grote bijdragen aan de sociale zekerheid te breed en de bescherming van mensen met een vast contract te groot. Een op de drie werknemers werkt met een tijdelijk contract. Zo'n duaal systeem van outsiders en insiders ondermijnt de jobzekerheid van de outsiders en schermt de insiders af, wat het moeilijker maakt om in moeilijke tijden te snoeien in de lonen. De nieuwe regering staat nog voor heel wat andere uitdagingen, zoals moeilijkheden met de regio's die nog meer autonomie wensen, meer bepaald Catalonië en Baskenland. Maar haar grootste opportuniteit is een einde maken aan de gesel van de hoge werkloosheid door de restricties die op de Spaanse arbeidsmarkt wegen op de brandstapel te smijten. De auteur is redacteur Europa van The Economist. JOHN PEET