"Ik heb een moreel probleem. Kan ik in mijn rapport schrijven dat Forrest elke week met een koffer dollars voor de regering- Kabila naar Kinshasa trekt?" Op 8 augustus 2002 stelde een lid van de Belgische parlementaire onderzoekscommissie Grote Meren, die ook de activiteiten van mijnexploitant George Forrest in Congo doorlichtte, aan ondergetekende deze merkwaardige, retorische vraag. Verveeld herpakte het parlementslid zich: "Als u dit publiceert, ontken ik alles." Het was een informeel gesprek, zonder bandopname of getuigen.
...

"Ik heb een moreel probleem. Kan ik in mijn rapport schrijven dat Forrest elke week met een koffer dollars voor de regering- Kabila naar Kinshasa trekt?" Op 8 augustus 2002 stelde een lid van de Belgische parlementaire onderzoekscommissie Grote Meren, die ook de activiteiten van mijnexploitant George Forrest in Congo doorlichtte, aan ondergetekende deze merkwaardige, retorische vraag. Verveeld herpakte het parlementslid zich: "Als u dit publiceert, ontken ik alles." Het was een informeel gesprek, zonder bandopname of getuigen. Op 19 februari 2003 in Kinshasa zei een hooggeplaatst diplomaat aan Trends: "U zult zien, in het VN-eindrapport zal Forrest over de hele lijn vrijuit gaan. Ik zeg dit uiteraard in alle confidentialiteit." Dat was acht maanden vooruitlopend op de eindconclusies van een onderzoekspanel van de Verenigde Naties naar de plundering van de bodemrijkdommen door bedrijven in Congo. Op 30 oktober werd daarover in de Veiligheidsraad gedebatteerd. Het eerste van de vier VN-rapporten over plunderingen focuste op coltan- en goudhandel en conflictdiamanten in Oost-Congo, waar de chaotische oorlogssituatie een voedingsbodem is voor ongure praktijken. In oktober 2002 verschoof de aandacht ook naar mijngebieden in Katanga ( Gécamines met koper en kobalt) en Kasaï ( Miba en diamant), waar bedrijven zich niet achter oorlogssituaties kunnen verschuilen. Dit blad klaagde het amalgameren van fictie en waarheid aan onder de respectieve titels: "Wat het rapport niet zegt" (26 april 2001) en "Van welke planeet komen de VN-experts?" (29 november 2001). De regering- Verhofstadt I liep eerst kritiekloos de VN-panels achterna, maar maakte nadien een bocht van 180 graden: er was niets aan de hand. Die ommekeer bleek vooral na het opduiken van de Forrest-dossiers in februari 2002, toen bekend raakte dat een confidentiële telex van de Belgische consul-generaal in Katanga aan Buitenlandse Zaken in Brussel amper enkele uren later doorgestuurd was naar George Forrest in Lubumbashi. De diplomaat wees op mijncontracten waarin de Forrest-groep goed voor zichzelf had gezorgd en Gécamines stelselmatig aan het kortste eind trok. In juni 2002 zei minister van Buitenlandse Zaken Louis Michel ( MR) dat hij het Brusselse parket gevraagd had een onderzoek in te stellen naar het lek bij BZ. Navraag over 'Telexgate' bij Jos Colpin, woordvoerder van het parket, leert dat "het parket van Brussel deze mogelijke klacht van minister Michel niet kan situeren". Is er dan wel een onderzoek geweest volgens artikel 29 van de toepasselijke procedure in overheidsadministraties? De parlementaire onderzoekscommissie Grote Meren, die de beschuldigingen van de VN-panels over vermeend wangedrag van Belgische bedrijven gedurende zes maanden zou nagaan, concludeerde eveneens: "niets aan de hand" - op het dossier van coltantrader Cogecom na. Eind oktober, nauwelijks één maand vóór de inlevering van zijn eindverslag, stuurde het VN-panel een brief aan Roland Charlier van het Belgische Nationaal Contactpunt ( NCP) met het verzoek om het onderzoek naar Groupe George Forrest over te nemen. Het NCP toetst de gedragscode van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling ( Oeso) aan de handelswijze van ondernemingen in het buitenland. Ambassadeur Mahmoud Kassem, voorzitter van het VN-panel, riep tijdsnood in: "De beperkte tijd die het panel heeft vóór het verstrijken van zijn mandaat op 31 oktober 2003 en de complexiteit van de gegevens waarover het gaat, maken het onwaarschijnlijk dat het panel tegen die datum tot definitieve conclusies komt." Over dat Belgisch Nationaal Contactpunt zei Dirk Van der Maelen, SP.A-fractieleider in de Kamer, tijdens het recente Kauri-forum in het publiek "dat het niets voorstelt". NCP bestaat uit welgeteld twee vaste personeelsleden: voorzitter Roland Charlier en secretaresse Colette Vanstraelen (zo nodig kunnen zij hulp inroepen van andere administraties). In zijn brief vroeg VN-panelvoorzitter Kassem aan het NCP mogelijke overtredingen door de Forrest-groep te onderzoeken, en wel op drie punten. Ten eerste: het aandeel in de winst van het staatsmijnbedrijf Gécamines uit de Luiswishi-mijn, dat zonder openbare aanbesteding gebruikt wordt voor aanleg van wegen, marktplaatsen en de bouw van een mausoleum door Forrest-bedrijven. Ten tweede: belangenvermenging toen George Forrest voorzitter was van Gécamines. En ten derde wijzen verschillende bronnen erop dat de bijdrage van Forrest-groep aan de economische vooruitgang van Congo gering is in verhouding met de grootschaligheid van haar activiteiten, en dat hij belastingvrijstellingen zou hebben nagestreefd die verder gaan dan wat de Congolese wet toestaat. Het VN-panel boog zich over 119 van de 157 gevallen die in het tussenrapport van oktober 2002 genoemd worden als mogelijk betrokken bij plunderingen (33 reageerden niet). Dat betekent dat een ploeg van veertien medewerkers in een driehonderdtal dagen aan een ritme van iets meer dan twee dossiers per dag "complexe dossiers", zoals Kassem het zelf noemt, te verwerken kreeg voor het eindrapport. Het kon dan ook niet anders dan dat het eindresultaat waterdun is. De nonchalance die uit de opeenvolgende VN-rapporten blijkt, biedt veel 'verdachten' van de weeromstuit een alibi om beschuldigingen als fantasie van tafel te vegen. Het eindverslag pleit voor de opsplitsing en de privatisering van Miba en Gécamines en voor gezond management, zodat de inkomsten ten goede komen aan de bevolking. Miba en Gécamines zijn potentiële schatkamers voor overheidsinkomsten. Maar de bestaande contracten met buitenlandse bedrijven leveren de Congolese staat en vooral Gécamines nauwelijks iets op. Alleen aan kobalt verliest Congo 400 miljoen euro per jaar. De uitvoer van heterogeniet (rijk kobalterts) kost Gécamines per maand 1,6 miljoen dollar. Het VN-panel had kennelijk de tijd niet om complexe mijncontracten via schermvennootschappen in off-shorelocaties bloot te leggen. Een op te richten commissie zal alle mijnovereenkomsten sinds 1997 onder de loep nemen. Het VN-panel vraagt dat mijnbedrijven volgens het 'Publish What You Pay'-initiatief van de George Soros-Stichting zouden bekendmaken wat ze betalen aan de nationale en lokale overheden. Met het diamantstaatsbedrijf Miba (20 % Umicore via dochter Sibeka) is het niet beter gesteld: de vice-minister van Mijnen sloot zonder medeweten van zijn voogdijminister een geheim akkoord tussen Miba en Emaxon, waardoor de laatste het exclusieve verkooprecht verwerft voor Miba-diamant. Emaxon is eigendom van de Israëlische diamantair Dan Gertler. Hij en zijn zakenpartner Chaim Leibovitz hebben er volgens de nieuwsbrief Africa Confidential voor gezorgd dat de Congolese president Joseph Kabila op 5 november één vol uur sprak met president George W. Bush in het Witte Huis en mocht logeren in Blair House aan de overkant van het presidentiële park. Zou Bush uitleg hebben gevraagd over het feit dat Miba door het contract met Emaxon meer dan één miljoen dollar per maand verliest? Erik BruylandOnjuistheden in de VN-rapporten leverden 'verdachten' van plundering het ideale alibi om alles als fantasie weg te wuiven.