Het jaar 2010 nadert met rasse schreden. Dat wordt voor ons land om diverse redenen een belangrijk jaar. België is dan zes maanden lang voorzitter van de Europese Unie. En voor Europa is 2010 het jaar van de waarheid. De Lissabonstrategie bepaalt hoeveel mensen er tegen dan aan het werk moeten zijn en de Barcelonastrategie zegt hoeveel de uitgaven aan innovatie dan moeten bedragen. Aan het Belgische voorzitterschap zal de eer te beurt vallen om de balans op te maken en de conclusies te trekken. De voorzitter riskeert echter bijzonder ongeloofwaardig over te komen, want ons land zal zo goed als geen enkele belofte kunnen houden. Wij Belgen zijn dat al gewoon, de vraag is of de Europeanen daar even licht over zullen gaan.
...

Het jaar 2010 nadert met rasse schreden. Dat wordt voor ons land om diverse redenen een belangrijk jaar. België is dan zes maanden lang voorzitter van de Europese Unie. En voor Europa is 2010 het jaar van de waarheid. De Lissabonstrategie bepaalt hoeveel mensen er tegen dan aan het werk moeten zijn en de Barcelonastrategie zegt hoeveel de uitgaven aan innovatie dan moeten bedragen. Aan het Belgische voorzitterschap zal de eer te beurt vallen om de balans op te maken en de conclusies te trekken. De voorzitter riskeert echter bijzonder ongeloofwaardig over te komen, want ons land zal zo goed als geen enkele belofte kunnen houden. Wij Belgen zijn dat al gewoon, de vraag is of de Europeanen daar even licht over zullen gaan. De Barcelonadoelstellingen, ere aan wie ere toekomt, werden door PS'er en toenmalig commissaris Philippe Busquin goedgekeurd in 2002. Alle landen van de Unie moeten uiterlijk in 2010 3 % van hun bruto binnenlands product besteden aan innovatie. De privésector moet 2 % voor zijn rekening nemen, de publieke sector 1 %. Op het moment van de goedkeuring zat België aan 0,6 %. Vlaanderen lanceerde zijn innovatiepact, Wallonië zijn Marshallplan en ook het federale niveau zou zijn steentje bijdragen. Vijf jaar later en twee jaar voor de vervaldag staat België op 0,61 %. Als wij in dat tempo voortgaan, is de kans klein dat wij de doelstelling van 1 % halen. Wallonië en de Franstalige Gemeenschap nemen 25 % van de inspanning voor hun rekening, Vlaanderen 47 %. De rest komt van het federale niveau omdat ook daar nog wat innovatiebevoegdheden zitten, zoals de wetenschappelijke instellingen of het ruimtevaartbeleid. Daarmee zit Vlaanderen voor innovatie in de Europese middenmoot. Nochtans had Vlaanderen zichzelf onder de regering-Leterme uitgeroepen tot topregio voor innovatie. Maar diens opvolger spreekt nu al andere taal: Vlaanderen zal proberen een topregio te worden tegen 2020. Ondanks die retoriek en ondanks de regionalisering van de materie, zijn de innovatie-inspanningen in Vlaanderen zelfs gedaald in 2007. Willen we tegen 2010 de doelstelling halen, dan moet bijkomend 1,2 miljard euro publieke middelen worden geïnvesteerd in innovatie. Dat geld zullen we natuurlijk niet vinden, met een regering zonder regeerprogramma of meerjarenbudget. En zelfs als we het geld zouden vinden, is onze onderzoekssector te zwak om zoveel publieke fondsen nuttig te besteden. Het gevaar bestaat dat de kwaliteit van de projecten daalt en dat de privésector zich terugtrekt. Nu al is de efficiëntie van het innovatiebeleid zwak. Het is duidelijk dat de kloof tussen de innovatieretoriek en het innovatiebeleid gigantisch is en niet meer gedicht kan worden tegen 2010. Gelukkig kunnen de Lissabondoelstellingen het imago van de voorzitter nog redden. De Lissabonstrategie bepaalt dat meer mensen aan het werk moeten om de welvaart te doen toenemen. De Europese ministers kwamen tien jaar geleden drie criteria overeen: de totale werkzaamheidsgraad (percentage werkenden op de bevolking op actieve leeftijd) moet 70 % bedragen; onder de 55-plussers moet dat 50 % zijn en onder de vrouwen 60 %. Waar staan we twee jaar voor de vervaldag? De totale werkzaamheidsgraad bedraagt 61 %, bij de 55-plussers 31 % en bij de vrouwen 54 %. We zijn dus nog mijlen verwijderd van de Europese doelstelling. Volgens de economische voorspellingen zal de werkzaamheidsgraad in 2012 64 % bedragen. Laat ons dus eerlijk zijn: we halen het niet en de kloof met de rest van Europa wordt groter. De regionale verschillen zijn hier beduidend groter dan voor de innovatie-inspanningen. De werkzaamheidsgraad in Vlaanderen bedraagt 64 %. De enorme krapte op de arbeidsmarkt maakt echter dat de meeste vacatures niet langer ingevuld geraken. Brussel scoort het zwakst met 55 % gevolgd door Wallonië met 56 %. Voor de 55-plussers scoort Brussel dan weer het best met 40 %; gevolgd door Wallonië met 32 %. Vlaanderen bengelt aan de staart met 30 %. Daarmee behoort Vlaanderen tot de minst presterende regio's van Europa. En bij de vrouwen? Bijna de helft van de Brusselse en Waalse vrouwen is aan het werk. In Vlaanderen is dat zelfs 58 % en zijn we dus amper twee procentpunt verwijderd van de doelstelling. De conclusie is duidelijk: in 2010 zal de voorzitter van de Europese Unie een nul op vier op zijn rapport krijgen. Ook geen enkele Belgische regio zag slagen. De enigen die de eer nog een beetje kunnen redden, zijn de Vlaamse vrouwen. Misschien moet Vlaanderen, dat toch al in een premiemanie verkeert, een forfaitaire premie toekennen aan werkloze vrouwen die echt willen werken, ter dekking van kosten voor kinderopvang, kledij en transport, zodat werken meer loont dan niet werken. En vermits zo de schade aan het Belgische imago enigszins kan worden beperkt, kan die gerust federaal worden betaald en georganiseerd. Benieuwd wat de nieuwe baas van het VBO daarover denkt. (T) De auteur is professor economie aan Ehsal, Hogeschool Gent en universiteit van Nancy.Rudy Aernoudt