Vierhonderd jaar geleden werd in het huis "den Berendans" op de Grote Markt in Antwerpen Antoon Van Dyck (1599-1641) geboren, als zevende kind van een rijke koopman. Het was een erg godsvruchtige familie: drie zussen werden begijn, een broer kanunnik, een andere pastoor. Maar Antoon had - gelukkig voor de schilderkunstgeschiedenis - meer interesse voor verf dan voor wijwater.
...

Vierhonderd jaar geleden werd in het huis "den Berendans" op de Grote Markt in Antwerpen Antoon Van Dyck (1599-1641) geboren, als zevende kind van een rijke koopman. Het was een erg godsvruchtige familie: drie zussen werden begijn, een broer kanunnik, een andere pastoor. Maar Antoon had - gelukkig voor de schilderkunstgeschiedenis - meer interesse voor verf dan voor wijwater. Van Dyck was een wonderkind: op z'n veertiende of vijftiende deed hij met verf al wat hij wou. Hij had een uitzonderlijk, aangeboren talent. Heel anders dus dan Rubens of Rembrandt, die hun ambacht maar met hard werken onder de knie kregen en wier jeugdwerken vaak ronduit zwak zijn, was Van Dyck reeds als jonge knaap erg soepel en vaardig met het penseel. Van die verbluffende virtuositeit getuigt onder meer het zelfportret dat hij halfweg z'n tienerjaren schilderde (en dat de hoofdtentoontelling "Van Dyck, de schilder" opent). In 1618 werd hij meester van de Sint-Lucasgilde, en werd hij een actieve medewerker van Pieter Paul Rubens, die hem "mijn beste leerling" noemde.Naar verluidt raakte de relatie tussen leerling en leraar echter gebrouilleerd, toen Van Dyck een portret van Rubens echtgenote Isabella Brants borstelde, en daarbij meer aandacht aan z'n model besteedde dan een schilder hoort te doen. Werd hij daarom op reis gestuurd? Feit is dat hij in 1620 eerst naar het Engelse hof trok, om een jaar later naar Italië te reizen. Hij ging naar Genua, de havenstad waar een kolonie Vlaamse handelslui vertoefde, en verder naar Venetië, Milaan, Mantua, Turijn, Rome en Palermo. In Italië was hij al de favoriete schilder van de aristocratie, terug in Antwerpen werd hij hofschilder van de Infante Isabella. In 1632 trok hij naar Londen om er hofschilder van koning Karel I te worden: principalle Paynter in ordinary to their Majesties. Een jaar later kreeg hij de gouden ketting met de medaille van de koning, het insigne waarmee hij zichzelf heeft afgebeeld op een aantal zelfportretten, waaronder Zelfportret met zonnebloem van 1633, het werk (uit Engelse privé-collectie) dat nu als embleem van de hele Van Dyck-viering dient. Hier bereikte hij als portretschilder - al mogen we hem zeker niet tot die "categorie" reduceren, dat zullen de exposities in Antwerpen aantonen - z'n hoogtepunt. Z'n werken baden in een sfeer van melancholie, aristocratisch raffinement. Tot op vandaag zit een groot deel van dat oeuvre in Engels adellijk en zelfs koninklijk privé-bezit. Zodat u de gelegenheid die u nu krijgt om het te ontdekken, zeker niet voorbij mag laten gaan."Van Dyck, de schilder", van 15 mei tot 15 augustus in het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten, Leopold De Waelplaats 1-9, 2OOO Antwerpen. Tel. 070/233.799. Over de andere tentoonstellingen in het Van Dyck-kader berichten we in volgende edities.