Het is nog altijd de bedoeling dat de regering-Michel in 2018 een begroting in evenwicht voorlegt. Om die doelstelling te halen moet de komende jaren verder worden bespaard. N-VA-voorzitter Bart De Wever zei op de nieuwjaarsreceptie van zijn partij dat dit het beste in de sociale zekerheid gebeurt. Als reactie daarop merkte MR-voorzitter Olivier Chastel op dat het de federale regering is die beslist waar het geld vandaan moet komen.
...

Het is nog altijd de bedoeling dat de regering-Michel in 2018 een begroting in evenwicht voorlegt. Om die doelstelling te halen moet de komende jaren verder worden bespaard. N-VA-voorzitter Bart De Wever zei op de nieuwjaarsreceptie van zijn partij dat dit het beste in de sociale zekerheid gebeurt. Als reactie daarop merkte MR-voorzitter Olivier Chastel op dat het de federale regering is die beslist waar het geld vandaan moet komen. Voor CD&V-voorzitter Wouter Beke is verder snijden in de sociale zekerheid taboe. Zijn argument: deze regering heeft al heel wat bespaard in de sociale zekerheid. Dat klopt. Die sanering bedroeg in 2015 al 1,4 miljard euro en loopt tegen het einde van de legislatuur op tot 6 miljard euro. Maar zelfs met die besparingen behoren de sociale uitgaven in België nog altijd tot de hoogste van Europa. De Belgische sociale overheidsuitgaven bedragen zo'n 28,8 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Enkel in Frankrijk en Denemarken liggen ze nog hoger. Door de besparingen in de sociale zekerheid kunnen die uitgaven dalen tot 27,3 procent, maar daarmee behoort België nog altijd tot de Europese top vijf. Om een plaats te krijgen tussen de Europese middenmoters in de sociale uitgaven - Duitsland en Nederland met 25 procent van het bbp bijvoorbeeld - zijn dus verdere besparingen nodig. Die kunnen in de sociale zekerheid wel degelijk nog worden doorgevoerd. Zonder grote revoluties kan tijdens deze legislatuur 1,8 miljard euro extra worden gevonden door verdere besparingen. De regering-Di Rupo besliste dat de werkloosheidsuitkeringen sneller dalen. De regering-Michel heeft de inschakelingsuitkering (de vroegere wachtuitkering voor schoolverlaters) beperkt in de tijd. Dat zorgt voor aanzienlijke besparingen in de sociale zekerheid. Maar volgens het Internationaal Monetair Fonds blijft de daling van de uitgaven door die regeringsmaatregelen de komende jaren beperkt: 400 miljoen euro tegen 2018. Dat is geen hoog bedrag als we weten dat de jaarlijkse totale uitgaven voor de klassieke werkloosheidsuitkeringen 4 miljard euro bedragen. Er kan gemakkelijk nog 400 miljoen euro worden gekort door de degressiviteit van de uitkeringen nog te versterken, door werkzoekenden beter op te volgen en door een middelentoets te doen bij de uitkeringstrekkers (wie van hen bezit veel vastgoed of een ander aanzienlijk vermogen). Een ander denkspoor is de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd. België is zowat het enige land in de wereld waar werkloosheidsuitkeringen van onbeperkte duur in bepaalde gevallen mogelijk zijn. Zo'n maatregel kan tot 2 miljard euro opleveren. Maar politiek is dat totaal irrealistisch, want die maatregel staat niet in het regeerakkoord en zowat alle partijen - de N-VA uitgezonderd - hebben zich er tijdens de regeringsonderhandelingen tegen verzet. Het stelsel van de werkloosheid met bedrijfstoeslag (SWT), het voormalige brugpensioen, is onder de huidige regering verder verstrengd. In principe is SWT pas mogelijk vanaf 62 jaar. Maar er zijn nog veel uitzonderingen, zoals voor wie een zwaar beroep heeft. Bedrijven in herstructurering of in moeilijkheden kunnen hun werknemers nog altijd op hun 56ste met brugpensioen sturen. Die minimumleeftijd wordt pas langzaam opgetrokken tot 60 jaar in 2020. De regering kan dat proces versnellen. Tussen 2000 en 2014 zijn de uitgaven voor brugpensioen en aanverwante uitkeringen - zoals oudere werklozen en halftijds brugpensioen - met 220 miljoen euro verlaagd. Dat is het resultaat van een reeks kleine maatregelen die in de tijd werden gespreid. Een gebalde verstrenging van het brugpensioen en een versnelde uitdoving kan tijdens deze legislatuur nog eens 220 miljoen euro opbrengen. De regering-Michel heeft beslist de wettelijke pensioenleeftijd tegen 2025 op te trekken naar 66 jaar en in 2030 naar 67 jaar. Vervroegd pensioen is nu pas mogelijk op 62 jaar, in 2019 wordt dat 63 jaar. Kan de regering nog verder besparen in het pensioenstelsel? Ja, door de pensioenmalus opnieuw in te voeren: wie vroeger dan 65 - of straks 66 en 67 jaar - stopt met werken, verliest een deel van zijn pen-sioenuitkering. Zo'n maatregel kan volgens pensioenexperts op kruissnelheid 400 miljoen euro opbrengen. De regering kan ook de ambtenarenpensioenen verder hervormen. Ze heeft onder meer al beslist dat de studiejaren niet langer integraal meetellen in de berekening van het aantal loopbaanjaren vooraleer ambtenaren met pensioen mogen gaan. Maar dat belet niet dat nog veel ambtenaren relatief vroeg kunnen uittreden: treinbestuurders bij de NMBS op 55 jaar, politieagenten op 58 jaar en militairen op 56 jaar. Raken aan die uitzonderingsregimes voor ambtenaren, staat echter gelijk met sociale onrust. Maar de regering-Michel kan wel op andere terreinen besparen. Zo wordt de loopbaanonderbreking voor ambtenaren (180 miljoen euro) integraal gefinancierd door middelen uit de sociale zekerheid van de werknemers. Dat is een soort koekoeksei van de ambtenaren. De regering kan die middelen voor loopbaanonderbreking gerust zoeken in de pot van de ambtenarenpensioenen. Door hier en daar kleine hervormingen in het stelsel door te voeren is zeker 180 miljoen euro te vinden. De federale beleidsploeg besloot bij haar aantreden de reële groeinorm in de gezondheidszorg te halveren van 3 naar 1,5 procent (dus boven op de inflatie). Het afremmen van de uitgavengroei levert een besparing op van 2,9 miljard euro tegen 2018, de belangrijkste besparing in de sociale zekerheid. De verdere inperking van de reële groeinorm richting 1 procent is een manier om nog meer te saneren. Experts verwachten dat hier op termijn tot 600 miljoen euro extra kan worden bespaard. ALAIN MOUTON