De lage marktrente baart de verzekeraars kopzorgen. De rente, en dat is de OLO-rente op tien jaar, viel vorig jaar onder de kaap van 3,5 %, wat minder is dan wat de verzekeraars zelf aan rendement geven op hun levensverzekeringen. De verzekeringsmaatschappijen zitten met belangrijke portefeuilles levensverzekeringen, die de klant een rendement van 4,75 % of 3,75 % garanderen. De verzekeraars verkochten die levensverzekeringen jaren geleden, toen de marktrente nog hoog stond. Daar komt nog bij dat de wet over aanvullende pensioenen (WAP) bepaalt dat de verzekeraars een rendement moeten aanbieden van minstens 3,75 % op de bedrijfs...

De lage marktrente baart de verzekeraars kopzorgen. De rente, en dat is de OLO-rente op tien jaar, viel vorig jaar onder de kaap van 3,5 %, wat minder is dan wat de verzekeraars zelf aan rendement geven op hun levensverzekeringen. De verzekeringsmaatschappijen zitten met belangrijke portefeuilles levensverzekeringen, die de klant een rendement van 4,75 % of 3,75 % garanderen. De verzekeraars verkochten die levensverzekeringen jaren geleden, toen de marktrente nog hoog stond. Daar komt nog bij dat de wet over aanvullende pensioenen (WAP) bepaalt dat de verzekeraars een rendement moeten aanbieden van minstens 3,75 % op de bedrijfspensioenen. Een minimumrendement dat volgens de verzekeraars nog weinig realistisch is. De Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA) startte in het najaar van 2005 een onderzoek om na te gaan of de situatie zorgwekkend is. De toezichthouder onderwierp alle maatschappijen actief in levensverzekeringen aan strenge financiële tests. De resultaten hiervan, nu pas bekend, zijn op zijn zachtst gezegd interessant. Blijkt dat de toezichthouder 12,5 % van de markt van nabij opvolgt, omdat die verzekeraars onvoldoende hebben kunnen aantonen dat ze gewapend zijn tegen een aanhoudende lage rente. De overige 87,5 % vereist hier volgens de CBFA geen bijzondere aandacht. "Over hoeveel verzekeraars het gaat en of het kleine of grote spelers zijn, mag ik niet verduidelijken," zegt Michel Flamée, ondervoorzitter van de CBFA, belast met de prudentiële controle op de verzekeringsmaatschappijen. "Maar de meerderheid van de verzekeraars heeft de nodige instrumenten ontwikkeld om zijn financiële positie indien nodig aan te passen of heeft een voldoende solvabiliteitsmarge. 12,5 % heeft ons niet het bewijs geleverd dat ze renterisico's op een correcte manier kunnen invullen. Die voelen nu de hete adem van de toezichthouder in hun nek. Weliswaar heeft 8,5 % een grote kapitaalbuffer, waardoor we ons niet meteen zorgen moeten maken. De overige 4 % stuurt best zijn beleid bij, wil het zijn verplichtingen in levensverzekeringen aankunnen bij een lage rente. Die verzekeraars ondergaan nu te veel de economie."Bij die 4 % gaat een ploeg van de CBFA ter plaatse om te zien hoe ze het risicobeheer kunnen verbeteren. "De toezichthouder evolueert van een reglementair toezicht naar een begeleidend toezicht. Niet dat we hier iets kunnen verplichten. Het onderzoek is niet afdwingend," aldus Flamée. De CBFA ging in haar onderzoek uit van verschillende scenario's. Verschillende mogelijke rentedalingen, op diverse termijnen. Naast de renterisico's veroorzaakt door beleggingen in obligaties, keek de CBFA ook hoe zwaar de verzekeraars beleggen in aandelen. Flamée: "Aandelen zijn risicovoller dan obligaties. Het worstcasescenario is dan ook een combinatie van een lage rente met een crash van de aandelenmarkten. Gelukkig zijn de meeste verzekeraars nu voorzichtig met aandelen. Gemiddeld investeren ze 10 % van hun middelen in aandelen, tegenover 75 % in schuldpapier." De CBFA wijst erop dat 10 % van de verzekeringsmarkt geen bruikbare cijfers heeft geleverd voor het onderzoek. Die verzekeraars werden opnieuw aangesproken. SaS