Als een minister van Financiën op de voorgrond wil treden, dan kan hij dat op vele manieren doen. Hij kan bijvoorbeeld de belasting hervormen. Of opmerkelijke standpunten innemen. Onze huidige minister combineert de twee: hij hervormt de belasting (al laat de hervorming van de vennootschapsbelasting lang op zich wachten) en neemt met de regelmaat van een klok opvallende standpunten in.
...

Als een minister van Financiën op de voorgrond wil treden, dan kan hij dat op vele manieren doen. Hij kan bijvoorbeeld de belasting hervormen. Of opmerkelijke standpunten innemen. Onze huidige minister combineert de twee: hij hervormt de belasting (al laat de hervorming van de vennootschapsbelasting lang op zich wachten) en neemt met de regelmaat van een klok opvallende standpunten in. Degressief. Neem bijvoorbeeld het voor de praktijk niet onbelangrijke probleem van de degressieve afschrijvingen. Afschrijven gebeurt normaal op lineaire wijze: met vaste afschrijvingsannuïteiten, gespreid over de normale levensduur van het investeringsgoed. Een actiefbestanddeel dat normaal gezien tien jaar meegaat, kan derhalve lineair tegen 10% per jaar worden afgeschreven. Het stelsel van de degressieve afschrijvingen laat toe het afschrijvingspercentage te verhogen. Tot maximaal het dubbele van het lineaire. In het voorbeeld dus tot maximaal 20%. Maar de basis waarop het percentage wordt toegepast, is wel anders. Als men lineair afschrijft, past men het percentage van jaar tot jaar toe op de aanschaffingsprijs. 10 % lineair afschrijven op een goed dat 1000 heeft gekost, wil zeggen dat gedurende tien jaar telkens 10% van deze 1000 als afschrijving onder de aftrekbare beroepskosten opgenomen mag worden.Als men hetzelfde goed degressief afschrijft, dan mag men het toe te passen afschrijvingspercentage weliswaar verdubbelen (tot in het voorbeeld 20%); maar de afschrijvingsbasis is niet langer de aanschaffingsprijs; wel het nog niet afgeschreven saldo ervan. Het eerste jaar zal de afschrijving in het voorbeeld derhalve 20% bedragen van 1000. Het tweede jaar zal evenwel niet langer 20% van 1000 als afschrijving genoteerd kunnen worden, maar slechts 20% van (1000 - 200 =) 800, of 160; het derde jaar is dat vervolgens 20% van (800 - 160) enzovoort. Met dien verstande dat terug overgeschakeld wordt op het lineaire stelsel zodra de degressieve afschrijvingsannuïteit lager is dan de lineaire.De berekeningsbasis is dus anders. Maar dit sluit niet uit dat de degressieve afschrijving een erg aantrekkelijk, en dus veel gebruikt stelsel is. Het laat immers toe veel af te schrijven in het begin. Waardoor het voordeel wordt vervroegd. Formaliteiten. Maar zoals dit meestal het geval is, wordt ook dit voordeel niet zonder meer toegestaan. De belastingplichtige moet alert reageren en de nodige formaliteiten vervullen. Het voordeel van de degressieve afschrijving vereist, dat men aan de administratie duidelijk laat weten dat men voor deze bijzondere vorm van afschrijving kiest. Deze keuze moet tijdig aan de administratie betekend worden. In principe moet dit gebeuren binnen de termijn die voor het indienen van de aangifte is gesteld. Volgens het boekje moet het document waarbij de keuze wordt gemaakt, bij de aangifte worden gevoegd. Het document moet bovendien talrijke, en in detail voorgeschreven gegevens bevatten. Voor elke groep van activa die volgens hetzelfde percentage degressief afgeschreven worden, en die tijdens hetzelfde belastbaar tijdperk verkregen zijn, moet de aard van de verschillende aldus gegroepeerde activa worden vermeld. Plus de aanschaffings- of beleggingswaarde ervan. Plus de normale vermoedelijke gebruiksduur van deze activa. En ten slotte (uiteraard) ook het degressief afschrijvingspercentage dat men toepast. Hoewel dat niet strikt nodig is, wordt in de praktijk voor deze mededeling gebruikgemaakt van het formulier "328K" dat de administratie hiervoor kosteloos ter beschikking stelt van de belastingplichtigen.In de Kamer werd onlangs geklaagd dat veel gewone belastingplichtigen - vooral dan loontrekkers - niet op de hoogte zijn van al deze formaliteiten. En dat zij het voordeel van de degressieve afschrijving zodoende aan hun neus zien voorbijgaan. De voorschriften zijn immers streng: als de keuze voor de degressieve afschrijving niet op de voorgeschreven wijze bij de aangifte wordt gevoegd, mag men het vergeten. Is dat niet al te streng? In de administratieve toelichting bij deel 1 van de aangifte (in hoofdzaak bedoeld voor loontrekkers) wordt immers met geen woord gerept over de mogelijkheid van een degressieve afschrijving, laat staan over de te vervullen formaliteiten.Soepel. In zijn antwoord bevestigt de minister, om te beginnen, dat ook "loontrekkers" een beroep kunnen doen op het aantrekkelijke stelsel van de degressieve afschrijving. Tot daar niets nieuws. Maar tegelijk bevestigt hij dat het voordeel van de degressieve afschrijving die men heeft toegepast niet noodzakelijk verloren gaat, als men de voorgeschreven formaliteiten niet tijdig heeft vervuld. Een loontrekker die "degressief" afgeschreven heeft, maar nagelaten heeft de nodige formaliteiten te vervullen, kan dit volgens de minister rechtzetten "in om het even welk stadium van de procedure". En dus ook op het ogenblik dat de aangifte wordt onderzocht, of in de fase van het bezwaar. Goed nieuws dus voor loontrekkers. En wat met de anderen? Kan een handelaar of een beoefenaar van een vrij beroep zich ook op deze ministeriële soepelheid beroepen? Wat aan de enen wordt toegestaan, kan men moeilijk aan de anderen ontzeggen. De informatie over het stelsel van de degressieve afschrijving die in de toelichting bij deel 2 van de aangifte wordt verstrekt (in hoofdzaak bestemd voor zelfstandigen) is weliswaar niet onbestaande, maar wel heel summier. Bijgevolg mag men hopen dat de ministeriële toegeving ook algemeen zal worden toegepast. Jan Van DyckDe auteur is advocaat bij Dauginet & co. en hoofdredacteur van Fiscoloog.Ook loontrekkers kunnen degressief afschrijven.