Een gesprek met Luc Van Honsebrouck, de gewezen topman van de gelijknamige brouwerij, is een evenwichtsoefening, in feiten en duiding en in persoonlijke ontboezemingen. Mijmering om wat geweest is, vragen om wat komen zal. Hoe vat je tachtig jaar samen in één gesprek? Niet, en dus is het een keuze maken. En schrappen, veel schrappen.
...

Een gesprek met Luc Van Honsebrouck, de gewezen topman van de gelijknamige brouwerij, is een evenwichtsoefening, in feiten en duiding en in persoonlijke ontboezemingen. Mijmering om wat geweest is, vragen om wat komen zal. Hoe vat je tachtig jaar samen in één gesprek? Niet, en dus is het een keuze maken. En schrappen, veel schrappen. Drie parameters voor persoonlijk geluk, zo vat hij samen: gezondheid, familie en zaken. Hij geeft zichzelf een score van 70 procent. "Ik heb geen reden om ongelukkig te zijn. Dat recht heb ik niet. Ik heb ook geen speciale wensen meer. Geld of eer, van beide heb ik genoeg. Met mijn kinderen loopt het ook allemaal goed. Met mijn vrouw, goh, we verschillen weleens van mening. We komen uit verschillende milieus." Voortaan maakt de brouwer enkel nog tijd voor zijn hobby's. De vele ongelezen boeken wachten om beduimeld te worden. De laatavondtelevisie, op Canvas, heeft aan hem een grote fan. En dan is er natuurlijk de kunstcollectie. Nooit zo'n schat - letterlijk en figuurlijk - aan kunst in een privécollectie mogen aanschouwen. De Latemse School, Permeke, Magritte, Ensor, Claus, Raveel, noem het, en het staat, ligt of hangt in zijn collectie. En dan vergeten we nog de speciaal gebouwde kast met de verzameling Delfts blauw uit de achttiende eeuw, "tien jaar aan gespaard". De tachtiger wordt een gedreven en kwieke jongeman wanneer hij ons door zijn privémuseum leidt, en de geestdriftige anekdotiek bij elk werk debiteert. Toen hij in 1953 de brouwerij overnam van zijn vader telde ze vier mensen, en was ze gedoemd om te verdwijnen. Hij liet 55 jaar later een brouwerij na met tachtig mensen, een omzet van zowat 20 miljoen euro, en een productie van 95.000 hectoliter. Er zijn vier sterke biermerken: Kasteelbier (het paradepaardje); Brigand; Kriek St-Louis en Bacchus. De export bedraagt zowat 35 procent. Onder meer Albert Heijn is afnemer. Er werd zwaar geïnvesteerd in het productieapparaat en de portfolio. Hij gooide de pilsbieren eruit, wat een gewaagde stap was omdat pils zowat 90 procent van de biermarkt vertegenwoordigde, en zette in op speciaalbieren. Achteraf gezien een succesvolle gok, maar indien hij mislukt was, had de brouwerij niet meer bestaan. "Ik heb me altijd goed geamuseerd in de brouwerij. Dat was echt mijn ding. Ik heb altijd geprobeerd om originele bieren te maken. Ik ben de eerste die het aandurfde om geuze te maken zoals Vanden Stock. In 1960 ben ik bij een brouwer gegaan in het Brusselse en kocht daar zestig tonnen van 200 liter die ik 's morgens vanuit het koelschip afhaalde en mengde met mijn vers gebrouwen bier. Zo bracht ik de microbe mee naar Ingelmunster. Geuze is een bier met spontane gisting. Het bier in de koelbakken mengt zich spontaan met de gist die in de lucht hangt. Ik verkocht dat onder de originele naam van Geuze Lambic, een benaming die de Brusselse brouwers nog niet gebruikten maar twee jaar later op al hun etiketten stond. Ik was dus de eerste. Geuze is inmiddels kriek geworden. Maar het succes neemt af. Bier is een mode, dat duurt twintig jaar. Het groeit, stagneert en daalt. Kijk naar Palm, of naar De Koninck. Dat waren sterke merken in de jaren tachtig, en plots is dat gedaan." "Mijn beste zet ooit, en daar ben ik nog altijd trots op, was de sponsordeal met Club Brugge. Ik kende niks van voetbal, wist niet eens waar de doelen stonden. Maar wat een ambiance, en wat een reclame! Toen ze bij Club Brugge hoorden dat ik een concurrent was van Constant Vanden Stock was het meteen in kannen en kruiken, want ze hadden nog een eitje te pellen met die man. Eind de jaren zeventig was dat, ik betaalde 5 miljoen Belgische frank (125.000 euro). Veel geld toen. Dat stond meteen in de kranten. Toen ik naar de mis ging de volgende zondag, stond iedereen mij aan te gapen. Dat was een event hé! In die zes jaar is mijn omzet maal drie gegaan." "Mijn vaders moeder zei altijd: 'Je mag twee dingen nooit doen, stoppen met brouwen of failliet gaan'. Dat werd ons duizend keer verteld. Dat zit in mij gegrift. Ik heb nochtans veel volk over de vloer gekregen. Ook Moortgat. En ik heb altijd geluisterd, niks meer. Maar verkopen of stoppen is nooit een optie geweest. Ook niet toen het minder ging. Wat ben je met een grote zak geld? Je hebt je geld, maar verliest je aanzien. Ja, je kunt dan twee biefstukken eten, in plaats van een. Maar ik kan toch niet veel eten ( lacht). Zelf heb ik nooit iets willen overnemen. Dat ging over mijn hoedje, zoals ze zeggen. Zaken doen die je niet aankan? Neen. Ik kan een bundel stro van zolang ( spreidt zijn armen) in stukken kappen. Maar een van zolang ( gooit de armen open) daar kan ik niet meer bij hé. Ik heb de gave niet om multinationaal te zijn. Je hebt mensen die twintig bedrijven kunnen aansturen, maar ik niet. Dat is ook niet nodig hé. Voor wie en waarom, zei mijn moeder altijd. Mijn vrouw komt nooit naar de brouwerij, ze heeft nooit buitenshuis gewerkt, maar staat in voor het huishouden. Ik had ook geen steun nodig." De dienster serveert de koffie en taart, en Luc Van Honsebrouck maakt vriendelijk maar gedecideerd duidelijk waar de kopjes moeten staan. "Ik heb mijn mensen altijd graag gezien, ook in de brouwerij. Ik vind dat maar normaal. Het is niet omdat je geld hebt dat je moet veranderen, of onbeleefd zijn. Mijn vrouw zei me ooit eens dat ik niet graag gezien ben in Ingelmunster. Maar dat is niet waar. Misschien ben ik niet graag gezien, maar ik ben wel gerespecteerd. En dat is belangrijk. Ik heb het kasteel gekocht in Ingelmunster, ik heb de brouwerij groot gebracht, heb veel projecten gesteund in de regio. Mijn broer wil graag mijn deel kopen van het kasteel, maar ik wil nog niet verkopen. Want dan verlies ik mijn prestige. Want wat gaan de mensen dan wel niet zeggen: 'weet je het al, Luc Van Honsebrouck heeft zijn kasteel verkocht!' ( roept het uit op zijn West-Vlaams). Ik heb me niks te verwijten. Ik heb een goede naam, ben gerespecteerd en niemand kan me iets aanwrijven. Ik zeg altijd, in het leven moet je veel doen en durven. Als je op de tien keer acht keer lukt en twee keer tegenslag hebt, dan ben je winnaar. Ik heb misstappen begaan. Maar ik heb nooit iemand echt bedrogen." Ten huize Van Honsebrouck waren ze met zeven kinderen. De twee broers Luc en Marc stapten als enigen in de familiebrouwerij, met roots tot in 1890. Luc Van Honsebrouck was pas 23 toen hij aan het hoofd kwam van de brouwerij en bleef daar 55 jaar aan als gedelegeerd bestuurder. Broer Marc stapte al snel uit, en ging in de retailmarkt."Ik was door mijn vader niet voorbestemd om in de brouwerij te gaan werken. Marc, mijn jongere broer, was dat wel. Toen ik twaalf was, en ik vertel dat eigenlijk nergens, want het is een beetje vuil, zei ik dat ik dokter wilde worden. Dokter van 'poepen en billen' ( lacht uitbundig). Maar ik voelde dat ik daarvoor niet bekwaam genoeg was. Al zou dat met de hulp van mijn moeder wel gelukt zijn. Wij hadden goede ouders en groeiden op in een goede omgeving. Maar ik kwam graag in de brouwerij, en een brouwersknecht vroeg me waarom ik niet naar de brouwerij zou komen. Ik vroeg het aan mijn vader, en ik mocht. Er waren twee brouwerijscholen, eentje voor de fils à papa, waar je een diploma kreeg. En St.-Lievens in Gent, waar je ging om te studeren en een echt diploma te krijgen. Ik ben naar die school geweest. Bij ons kende niemand iets van brouwen. Mijn vader zei altijd dat hij het brouwen had geleerd van zijn broer, die het van zijn vader had geleerd, die het ook niet kon. En het was juist, ze kenden er niks van." "Als zakenman was ik goed. Niet super, maar gewoon goed. Maar ik was vooral gedreven. En je moet je stiel kennen. Om een goeie brouwer te zijn, moet je twee dingen goed kunnen: goed bier maken en een goeie marketing hebben, de rest loopt mee. Ik was niet streng, maar ook niet gemakkelijk. Dat is een gevolg van mijn jeugd. Ik heb op school een driedubbele schedelbreuk opgelopen. De dokter zei, ofwel gaat hij dood, ofwel wordt hij zot, ofwel weer gezond. Ik kon niet goed spreken, ik hakkelde een beetje. Op school werd ik gepest. Ze lachten met mij, en ik zag daarvan af. En ik kon me niet verzetten. Dat bleef zo duren, mijn hele jeugd. Ik heb dat thuis nooit verteld. Niemand wist dat. Maar ik heb leren van mij af te bijten. En ik had gezag. Als je geen gezag hebt, dan ben je geen baas." "Ik was niet bang om los te laten, maar ik wou ook niet te vroeg stoppen. Ik ben nu tachtig en je moet geen rem zetten op je opvolgers. Nu heb ik niet langer de lusten, maar ook niet meer de lasten. Ik ga niet meer naar de brouwerij, terwijl ik daar vroeger al om 7 uur stond. Het was iemand van onze raad van bestuur die me zei dat ik moest stoppen. En dat was het begin van mijn denkproces. Ik was toen 77 jaar, en dat heeft nog een beetje geduurd. Maar dit jaar in februari heb ik alles geregeld. Dat mijn oudste zoon Xavier de brouwerij zou overnemen, was altijd duidelijk voor mij. Ook al heeft hij een andere visie op het beleid. Als ik naar links keek, keek hij naar rechts. We hebben vorig jaar een regeling gemaakt. En ik moet zeggen, hij doet het niet slecht. Hij doet het anders. Mijn aanpak was goed, dat bewijst het verleden. Hij doet het anders, en de toekomst zal bewijzen of het ook de juiste aanpak is. Tot vandaag heeft hij positieve punten, maar we gaan zien over vijf jaar. En dan zullen we zien of de brouwerij zal blijven bestaan voor de kleinkinderen. Mijn andere zoon, Vincent, runt een vastgoedkantoor in Knokke, daar ben ik nog een beetje actief als bestuurder. Hij doet het zo goed dat we intussen nummer één zijn op die markt." AN GOOVAERTS EN LIEVEN DESMET"Wat ben je met een grote zak geld? Je hebt je geld, maar verliest je aanzien" "Mijn zoon doet het anders, en de toekomst zal bewijzen of het ook de juiste aanpak is"