Het 2012 Ageing Report van de Europese Commissie schetst een ontluisterend beeld van de Belgische vergrijzingskosten. Volgens dat rapport lopen de budgettaire meerkosten van de vergrijzing op tot 9,1 procent van het bbp. In euro's van vandaag is dat 34,6 miljard euro. Dat is 2,5 procentpunten meer dan de voorspelde meerkosten in het Ageing Report van 2009, toen sprake was van 6,6 procent van het bbp (25,1 miljard euro). De vergrijzingskosten liggen in de studie van de Europese Commissie ook een stuk hoger dan de extrapolaties in rapporten van de Belgische Studiecommissie van de Vergrijzing.
...

Het 2012 Ageing Report van de Europese Commissie schetst een ontluisterend beeld van de Belgische vergrijzingskosten. Volgens dat rapport lopen de budgettaire meerkosten van de vergrijzing op tot 9,1 procent van het bbp. In euro's van vandaag is dat 34,6 miljard euro. Dat is 2,5 procentpunten meer dan de voorspelde meerkosten in het Ageing Report van 2009, toen sprake was van 6,6 procent van het bbp (25,1 miljard euro). De vergrijzingskosten liggen in de studie van de Europese Commissie ook een stuk hoger dan de extrapolaties in rapporten van de Belgische Studiecommissie van de Vergrijzing. Hanteert de Europese Commissie een andere methodologie? Zeker niet. De voor België opgegeven medewerkers voor de samenstelling van het Ageing Report zijn Michel Englert en Micheline Lambrecht van het Planbureau. En laat het nu net de diensten van het Planbureau zijn die elk jaar het verslag van de Vergrijzingscommissie opstellen. De cijfers voor België steken schril af tegen die van andere EU-landen (zie tabel Vergrijzingskosten stijgen het sterkst in België). In onze buurlanden nemen de vergrijzingskosten in het rapport 2012 minder snel toe dan berekend in de editie van 2009 van het Ageing Report, of dalen ze zelfs, bijvoorbeeld in Nederland. Hetzelfde geldt voor enkele Zuid-Europese landen. Dat komt omdat daar het voorbije jaar pensioenhervormingen zijn doorgevoerd. In Griekenland is de wettelijke pensioenleeftijd opgetrokken naar 65 jaar, in Spanje naar 67 jaar. In Italië is het de bedoeling dat vanaf 2018 iedereen pas op 66 jaar de arbeidsmarkt verlaat. In Nederland zal de wettelijke pensioenleeftijd in 2019 66 jaar bedragen en in 2023 67 jaar. Ook in Duitsland wordt 67 jaar op termijn de referentieleeftijd. In België bleef de wettelijke pensioenleeftijd ongewijzigd op 65 jaar, maar wil de regering de vervroegde uittreding wel ontmoedigen. Het 2012 Ageing Report benadrukt dat de beleidsmaatregelen van de regering-Di Rupo die na december 2011 zijn doorgevoerd, nog niet in de berekeningen zijn opgenomen. Dat betekent dat ze nog geen rekening houden met de verstrengde regeling voor brugpensioen en vervroegd pensioen of met de impact van de nieuwe berekening van de overheidspensioenen. Zo zullen de ambtenarenpensioenen niet meer berekend worden op basis van het loon van de laatste vijf maar van de laatste tien jaar. Dat moet de vergrijzingskosten - die in de ambtenarij al volop oplopen - minder sterk doen stijgen. Toch is het een illusie te denken dat de vergrijzingskosten veel lager uitvallen dankzij de pensioenhervormingen van Di Rupo. Volgens een studie van het Planbureau- die al in mei af was maar nooit publiek gemaakt is - lopen de meerkosten van de vergrijzing tussen 2011 en 2060 op tot 6 procent van het bbp. Dat is 0,6 procentpunt meer dan in het verslag van vorig jaar. Dat de vergrijzingskosten in bijna elk nieuw rapport opwaarts worden aangepast, is niet nieuw (zie kader Een constante onderschatting van de vergrijzingskosten). Wat wel opvalt, is dat de regeringsmaatregelen de vergrijzingskosten slechts met 0,4 procent van het bbp doen dalen. Een verwaarloosbare impact. Mensen zullen wel langer werken maar de pensioenuitgaven blijven hoog, leert de nota van het Planbureau. Langere carrières genereren meer pensioenrechten, de pensioenbonus, de afbouw van de pensioenmalus voor zelfstandigen, meer zelfstandigen die recht hebben op een minimumpensioen, de leeftijdstoeslag voor ambtenaren,... Dat alles maakt dat de vergrijzingskosten amper dalen. Integendeel, de sociale uitgaven stijgen van 25,3 naar 31,3 procent van het bbp. Het is vreemd dat het rapport 2012 nog altijd niet gepubliceerd is. Normaal is het er in juli. Volgens bronnen bij de Nationale Bank is de publicatie pas voor het najaar, meer bepaald voor oktober. Na de gemeenteraadsverkiezingen? Of na de 'State of the Union' van premier Di Rupo, die zo het slechte nieuws niet moet meedelen? Volgens Jan Verschooten, een van de toplui van het Planbureau en ondervoorzitter van de Vergrijzingscommissie, komt het rapport er "eind september, begin oktober". "De verklaring voor het uitstel ligt in de hervormingen van de regering-Di Rupo, het in juni uitgebrachte advies rond de pensioenbonus, de werkzaamheden voor het Ageing Report, en het nieuwe Europese semester, dat de timing van de begrotingsopmaak ook in België enigszins wijzigde, waardoor de nood aan een publicatie in juni of juli wegviel. Het is dus nog even wachten op het rapport." Dat het incalculeren van de hervormingen van de regering-Di Rupo als een van de redenen wordt opgegeven is vreemd aangezien er al enige maanden een voorlopige studie bestaat over de impact ervan. Zelfs na de invoering van het Generatiepact van 2005 verscheen het rapport met de berekening van de impact ervan op tijd: mei 2006. ALAIN MOUTON