De hervorming van de personenbelasting die in de voorbije maanden in het parlement is goedgekeurd, bevat verschillende bepalingen die betrekking hebben op het woon-werkverkeer. Zo is er een bepaling die zegt dat de vrijstelling van de werkgeversbijdrage in de kosten van het woon-werkverkeer voortaan nog slechts geldt voor zover de werknemers hun werkelijke kosten niet bewijzen.
...

De hervorming van de personenbelasting die in de voorbije maanden in het parlement is goedgekeurd, bevat verschillende bepalingen die betrekking hebben op het woon-werkverkeer. Zo is er een bepaling die zegt dat de vrijstelling van de werkgeversbijdrage in de kosten van het woon-werkverkeer voortaan nog slechts geldt voor zover de werknemers hun werkelijke kosten niet bewijzen. Tot nog toe was dat niet uitdrukkelijk wettelijk geregeld. In de praktijk ging men ervan uit dat het voordeel dat uit dergelijk vervoer voortvloeit, in hoofde van de werknemers het karakter heeft van een sociaal voordeel. Het probleem is evenwel dat kosten die verband houden met sociale voordelen, in hoofde van de werkgever in principe niet als beroepskosten aftrekbaar zijn. De aftrek van kosten van collectief georganiseerd vervoer kwam daarmee in het gedrang. Maar men weet dat de administratie de regel van de niet-aftrekbaarheid van sociale voordelen altijd erg soepel heeft geïnterpreteerd. In de praktijk heeft zij een lijst opgesteld van sociale voordelen waarvan de kosten, ondanks het principieel aftrekverbod, toch aftrekbaar zijn. Op deze lijst komt ook het collectief door de werkgever georganiseerd woon-werkvervoer voor, ongeacht of hij dat vervoer organiseert met eigen vervoermiddelen of met die van een autocarexploitant.In de praktijk konden werkgevers zich dus op deze lijst beroepen om de kosten van dergelijk vervoer toch in aftrek te brengen. Zij het dat die aftrek niet altijd volledig was. Wanneer het vervoer georganiseerd werd met personenwagens, wagens voor dubbel gebruik en minibussen, viel de aftrek in ieder geval onder de 75%-aftrekbeperking zoals die in het algemeen ten aanzien van autokosten van toepassing is.Zij zegt dat de vergoedingen die door een werkgever "worden toegekend als terugbetaling of betaling van reiskosten van de woonplaats naar de plaats van tewerkstelling" belastingvrij blijven "voor zover de werknemer die verplaatsing maakt met een gemeenschappelijk vervoer van personeelsleden dat door de werkgever of door een groep van werkgevers wordt georganiseerd"; maar dat deze vrijstelling slechts geldt voor een bedrag dat maximaal gelijk is aan de prijs van een treinabonnement eerste klas voor de betrokken afstand; en, dat zij bovendien slechts geldt op voorwaarde dat de werknemer zijn werkelijke kosten niet bewijst. Daarmee lijkt de vrijstelling van het voordeel dat voortvloeit uit het collectief door de werkgever georganiseerd woon-werkvervoer minstens in een aantal gevallen verloren te gaan. Vraag is, of dat werkelijk de bedoeling van de wetgever is geweest. Dat blijft voorlopig in het ongewisse. Jan Van DyckDe auteur is advocaat bij Dauginet & co. en hoofdredacteur van Fiscoloog.Vanaf volgend jaar zijn de kosten tot 120% aftrekbaar.