Door de lage rente staan de rendabiliteit en het verdienmodel van veel banken onder druk. Overal trachten instellingen hun inkomsten te diversifiëren en de kosten te drukken. Maar de aanpassing van het bedrijfsmodel verloopt moeizaam. Professor financiële economie Rudi Vander Vennet van UGent schetst de context, de mogelijkheden en de obstakels voor de banken.
...

Door de lage rente staan de rendabiliteit en het verdienmodel van veel banken onder druk. Overal trachten instellingen hun inkomsten te diversifiëren en de kosten te drukken. Maar de aanpassing van het bedrijfsmodel verloopt moeizaam. Professor financiële economie Rudi Vander Vennet van UGent schetst de context, de mogelijkheden en de obstakels voor de banken. "Om leefbaar te zijn moeten banken een return on equity (ROE) halen die hoger ligt dan de cost of equity (COE)", zegt professor Vander Vennet. "Sinds de financiële crisis, al acht jaar lang, ligt de ROE van sommige banken ver onder de COE. Dat is niet houdbaar." De return on equity is het rendement op eigen vermogen van een bank. Voor de financiële crisis schommelde die in Europa rond 15 procent. Na de crisis zijn de inkomsten van de banken echter gedaald, terwijl de kapitaalnormen van het Bazel III-akkoord de banken verplichten meer eigen vermogen aan te houden. Vander Vennet: "Uit het jongste EBA-bankrapport blijkt dat de helft van de banken in Europa een ROE lager dan 6 procent haalt. Slechts een op de twintig komt boven 10 procent. De Belgische banken zaten de voorbije jaren op een langjarig gemiddelde van 5 procent. Een studie van De Nederlandsche Bank voorspelt dat de drie Nederlandse grootbanken (ING, ABN AMRO en Rabobank) de komende jaren op een ROE van gemiddeld 7 en maximaal 9 procent mogen rekenen." Conclusie: minstens 10 procent rendement op eigen vermogen realiseren, zoals verschillende bankiers nog altijd ambiëren, is niet meer vanzelfsprekend. Dat cijfer komt echter niet uit de lucht vallen. De cost of equity van de Europese banken (de rendementsverwachting van de aandeelhouders) lag de voorbije jaren gemiddeld rond 10 procent (zie grafiek De kosten stijgen). Voor de crisis lag de COE gemiddeld op 7 procent, na de crisis is dat opgelopen tot 10 à 12 procent. Het risico van een bank wordt hoger ingeschat en dus eisen investeerders een hoger rendement. "Die situatie is niet leefbaar voor de banken", geeft Vander Vennet toe. "Ze moeten hun kapitaal versterken, maar kunnen geen investeerders aantrekken omdat hun rendement te laag ligt. Mijn boodschap is: als je de ROE niet omhoog kunt krijgen, wat in de huidige marktomstandigheden allicht moeilijk is, haal dan de COE naar beneden door je kapitaalbuffers te verhogen." Dat is de fundamentele keuze waarvoor banken staan, zegt Vander Vennet: "Ofwel gaan ze voor een laag risicoprofiel en hoge kapitaalbuffers. Dat model staat voor een beperkte ROE, maar door het lagerisicoprofiel zal de COE dalen en is de bank leefbaar. Ofwel moeten ze zich toespitsen op meer risicovolle activiteiten. Die instellingen zullen geconfronteerd worden met hogere kapitaalkosten, maar met een goed risicobeheer kan daar een hoger rendement tegenover staan." De beurzen waarderen de Europese banken momenteel gemiddeld tegen 50 à 60 procent van hun boekwaarde (zie grafiek Lage marktwaarde). Sinds de crisis van 2008 is de marktwaarde niet meer boven de boekwaarde uitgekomen. In de Verenigde Staten, waar men de banksector beter opgekuist heeft en de economie groeit, noteren de banken gemiddeld tegen 90 à 100 procent van hun boekwaarde. "De markten vertrouwen de activa van de banken niet", zegt Vander Vennet. "Ze vrezen dat er nog forse verliezen moeten geboekt worden. De Italiaanse banken sleuren een pak slechte leningen mee. Bij Deutsche Bank kunnen boetes een heel stuk van de winst opslorpen. En van sommige banken vreest men dat ze hun kosten niet onder controle krijgen." Een lage beurskoers heeft hetzelfde effect als een te lage rendabiliteit: nieuwe aandeelhouders aantrekken wordt zo goed als onmogelijk. Daardoor kunnen banken geen vers kapitaal aantrekken en staan ze zwak, zeker als ze de kredietverstrekking willen doen groeien. "Zolang de economie niet aantrekt, zal de waardering van de banken niet verbeteren", oordeelt Vander Vennet. "Maar de waardering zou moeten verbeteren om de banken toe te laten de groei van de economie te financieren. Zo dreig je in een vicieuze cirkel terecht te komen." In Europa varen de Scandinavische banken tegen de stroom in: "Zij combineren sterke kapitaalbuffers met een hoog dividendrendement, dankzij kostenratio's die steevast onder 50 procent liggen. In de Benelux komen ING en KBC in de buurt van het Scandinavische model. Maar veel Franse, Duitse, Britse en Spaanse banken staan daar ver van." "Er is de voorbije jaren een toevloed aan regulering ontwikkeld, die de transformatie van kortetermijnfunding naar langeretermijnlending bemoeilijkt", vindt Vander Vennet. "De liquiditeitsnormen verplichten de banken heel veel activa op korte termijn aan te houden, en voor langetermijnactiva moet er een lange termijn of een zeer stabiele funding zijn (bijvoorbeeld deposito's). Daardoor dreigt een essentiële functie van de banken niet meer vervuld te geraken. Dat zie je al bij infrastructuurinvesteringen, waar banken hun rol niet meer spelen. De regelgevers moeten opletten dat ze de financiering van broodnodige investeringen niet droogleggen." "Men zou de banken meer moeten stimuleren om leningen te effectiseren. Door het hele subprime-verhaal en de crisis van 2008 heeft effectisering een slechte naam gekregen. Zowel banken als regelgevers bekijken het fenomeen argwanend. Terwijl effectisering broodnodig is, opdat de risico's gespreid worden en de banken ruimte op hun balans kunnen vrijmaken voor nieuwe activa." "De rentemarge van de banken krimpt al een hele tijd", zegt Vander Vennet. "Het is fout te stellen dat dit een recent fenomeen is, dat te wijten zou zijn aan het ECB-beleid. In Duitsland bedroeg de rentemarge in de jaren tachtig nog 2 procent en daarna is ze stelselmatig gekrompen (zie grafiek Rentemarge Duitse banken). Sinds begin van de jaren 2000 bedraagt ze amper nog 1 procent. De Duitse banken kampen dus al vijftien jaar met een rentemarge die nauwelijks leefbaar is." De krimpende rentemarge van de banken is vooral een gevolg van de daling van de langetermijnrente, beklemtoont Vander Vennet. "Die trend is al vele jaren bezig. De verklaring ligt hoofdzakelijk bij een wereldwijde toename van het sparen en een afname van de investeringen. In Europa en China heeft de vergrijzing het spaargedrag nog aangewakkerd, terwijl de investeringsbehoeften wereldwijd dalen. Als bedrijven vandaag investeren, spreek je vaak over de ontwikkeling van een app of een digitale toepassing. Daar zijn niet de grote bedragen mee gemoeid zoals bij klassieke productie-investeringen. De pessimisten zeggen: de grote innovaties liggen achter ons, en dan zijn grote productiviteitswinsten niet meer mogelijk. Het gevolg is dat de reële rente op een glijbaan naar beneden zit." "Enkel als de investeringen en de productiviteit weer toenemen, zal ook de lange rente structureel stijgen", zegt Vander Vennet. "De centrale banken beseffen dat en voeren een soepel monetair beleid. De ECB doet wat ze kan. Maar voor een duurzame herneming van de groei zijn publieke en private investeringen onontbeerlijk, lage rentevoeten alleen volstaan niet." De Belgische banken slaagden er de voorbije vijf jaren in hun rendabiliteit fors te verbeteren, door de kosten stabiel en de nettorentemarge op peil te houden. Dat deden ze door de depositorente systematisch en snel te verlagen. Maar daar zit geen rek meer op. De spaarrente schurkt tegen het minimum van 0,11 procent. "In dat geval moeten de banken werken aan hun activakant", zegt Vander Vennet. "In Zwitserland, waar men al langer geconfronteerd wordt met een negatieve rente, hebben de banken de tarieven voor hypotheekleningen opgetrokken. Dat is ook de weg die de Belgische en de Europese banken op moeten." "De voorbije jaren hebben de Belgische banken de hypotheekrente laten zakken, maar minder snel dan de risicovrije rente. Daardoor hielden ze een rentemarge van circa 2 procent over. Maar nu de depositorente en de risicovrije rente vrijwel op nul staan, moeten de banken stoppen met hun kredieten goedkoper te maken." Vander Vennet waarschuwt voor een situatie, zoals in België, waarbij een aantal banken vooral inzetten op volumegroei in kredieten om hun marge op peil te houden. "In ons land woedt een bikkelharde concurrentie in woonkredieten. Sommige instellingen weten niet wat te doen met hun liquiditeitsoverschot. Banken kennen leningen op tien, vijftien jaar tegen een rentevoet van 1 procent toe. Dat is onverantwoord. Ze verpesten de markt en eten hun marges voor de toekomst op. Op korte termijn genereer je cashflow, maar op lange termijn kom je in de problemen. Zo maak je jezelf en de sector kapot." De Belgische banken blijven sterk afhankelijk van de rentemarge, maar zijn er niettemin in geslaagd hun commissie-inkomsten de voorbije jaren te doen stijgen. "Dankzij crossselling is er een verschuiving gebeurd naar meer inkomsten uit fees en commissies op verzekeringsproducten en vermogensbeheer", stelt Vander Vennet vast. "Maar de pool aan fees is niet oneindig. Niet iedereen kan onbeperkt mee-eten van de tafel van de commissie-inkomsten. Er zijn nog altijd meer banken dan rendabele niches." Als de inkomsten niet kunnen worden verhoogd, rest maar één mogelijkheid: snoeien in de kosten. Bovendien blijkt dat de meest effectieve manier te zijn om de winst te vergroten. Dat blijkt uit een paper die Vander Vennet samen met Frederik Mergaerts onlangs publiceerde en waarbij de bedrijfsmodellen van de grootste 500 banken van Europa bestudeerd werden. "Als de Europese banken erin slagen hun cost/income-ratio, die momenteel gemiddeld 65 procent bedraagt, te verlagen naar 50 procent, verdubbelt het rendement op eigen vermogen automatisch en bij nagenoeg onveranderde parameters tot boven 10 procent." Ook een recente studie van het Internationaal Monetair Fonds (IMF) wijst op de noodzaak van een kostensanering. Bij een herstel van de economie zou het aantal gezonde banken duidelijk stijgen, maar ook dan blijft een derde van de Europese banken bedrijfseconomisch niet leefbaar. Als ze zich structureel hervormen en hun kostenbasis verminderen, daalt het aantal ongezonde banken tot 18 procent. "In kostenbeheersing doen de Belgische banken het niet slecht", meent Vander Vennet. "Maar er is ruimte voor verbetering. Vooral de grote kantorennetten wegen zwaar. Er zijn nog te veel kleine agentschappen met een onvoldoende depositobasis om rendabel te zijn. Als België kan aansluiten op het Scandinavische model, met minder grote netwerken, kan de cost/income-ratio zakken onder de 50 procent." Door twee banken, ING België en Record Bank, te fuseren, snijdt ING de helft van zijn kantoren in België weg. "Een mooi voorbeeld van interne consolidatie, dat puur economisch verdedigbaar is", vindt Vander Vennet. "Maar voor de leefbaarheid van de sector moet er een grotere consolidatiebeweging komen. In elke sector waar de ROE al acht jaar onder de COE ligt en de marktwaarde de helft van de boekwaarde bedraagt, zou er al lang een ingrijpende consolidatie hebben plaatsgevonden." In de banksector betekent dat echter een samengaan van grote spelers, en dat botst met de vrees dat er opnieuw te grote systeembanken ontstaan. Vander Vennet nuanceert die vrees: "Het is aan de toezichthouder om ervoor te zorgen, via kapitaaleisen en resolutieplannen, dat grootbanken niet opnieuw ontsporen. Too big to fail kun je bestrijden via voldoende hoge kapitaalbuffers aangevuld met een geloofwaardig en efficiënt bail in-systeem (waarbij schuldeisers en obligatiehouders mee opdraaien voor de verliezen, nvdr). Grote banken moeten grotere buffers hebben en frequent onderworpen worden aan stringente stresstesten." Ook grensoverschrijdende consolidatie moet weer aantrekkelijk worden, vindt Vander Vennet. "We moeten terug naar het verhaal van de eurozone als een pan-Europese bankenzone. Het is maar door buiten de verzadigde kern van West-Europa te gaan dat een bank nog kan profiteren van economische groei en hogere marges. Kijk naar de toenadering tussen Nordea en ABN AMRO. Die banken beseffen dat er mogelijkheden liggen bij grensoverschrijdende samenwerking. Ook ING is een voorbeeld. Die bank is in verschillende landen van Europa aanwezig, ook in groeimarkten. Daardoor is de ambitie van de ING-top om 10 procent return on equity te halen wellicht niet onmogelijk." Patrick Claerhout"De markten vertrouwen de activa van de banken niet. Ze vrezen dat er nog forse verliezen moeten geboekt worden" "De regelgevers moeten opletten dat ze de financiering van broodnodige investeringen niet droogleggen" "Enkel als de investeringen en de productiviteit weer toenemen, zal ook de lange rente structureel stijgen"