De Verenigde Staten. Het land van de onbegrensde mogelijkheden. De mogelijkheid om onbegrensd rijk te worden. Maar ook de mogelijkheid om onbegrensd arm te eindigen... De inkomensongelijkheid in de Verenigde Staten is bij de grootste van de geïndustrialiseerde landen. Meer nog: de ongelijkheid is er de afgelopen jaren toegenomen tot niveaus die vergelijkbaar zijn met het vorige record van de jaren twintig.
...

De Verenigde Staten. Het land van de onbegrensde mogelijkheden. De mogelijkheid om onbegrensd rijk te worden. Maar ook de mogelijkheid om onbegrensd arm te eindigen... De inkomensongelijkheid in de Verenigde Staten is bij de grootste van de geïndustrialiseerde landen. Meer nog: de ongelijkheid is er de afgelopen jaren toegenomen tot niveaus die vergelijkbaar zijn met het vorige record van de jaren twintig. Tussen 1993 en 2007 werd de inkomensongelijkheid in de VS steeds groter. Onder president Bush stegen de reële inkomens van de 1 procent rijkste Amerikanen jaarlijks met gemiddeld 10,1 procent. Onder Bill Clinton gingen de allerrijksten er zelfs nog sneller op vooruit en liep hun jaarlijkse reële inkomensgroei op tot maar liefst 10,3 procent. Het grote verschil tussen beide presidenten was wat er gebeurde met de overige 99 procent van de bevolking. Onder Bill Clinton zagen zij hun inkomen jaarlijks stijgen met 2,7 procent, terwijl ze het onder G.W. Bush moesten stellen met een aangroei van nauwelijks 1,3 procent. De ongelijkheid steeg dan wel heel snel onder de laatste president, maar ze loopt al bijna drie decennia op. Alvorens deze column begint te lijken op een sociaal pamflet, even dit: meer of minder ongelijkheid is een maatschappelijke keuze. Er zijn twee mogelijke uitersten. Ofwel krijgt iedereen hetzelfde inkomen en dan is er perfecte inkomensgelijkheid. Experimenten in een vrij recent verleden hebben duidelijk aangetoond dat perfecte gelijkheid niet echt optimaal is voor de motivatie. Aan het andere uiterste vinden we dan weer perfecte ongelijkheid: één individu met alle inkomen en de rest niets. Op geen enkele manier kan de inkomensongelijkheid groter gemaakt worden. Deze situatie kan ook bezwaarlijk stichtend worden genoemd. Tussen beide uitersten zijn er ontelbaar veel opties. Er bestaat echter niet zoiets als dé ideale inkomensverdeling die voor iedereen als streefdoel zou moeten gelden. Noord-Europese landen als Zweden, Denemarken en Noorwegen hebben van alle OESO-lidstaten de minste inkomensongelijkheid. Aan de andere kant van het spectrum vinden we landen als Mexico, Turkije of de Verenigde Staten. Opnieuw: inkomensverdeling is een zuiver binnenlandse beleidskeuze. Maar wat als een meer duurzame groei van de wereldeconomie de volgende jaren afhankelijk zou blijken van de mate van inkomensongelijkheid in de VS? De onevenwichtige groei in de Verenigde Staten de afgelopen jaren was een van de grote oorzaken van de kredietcrisis. Een heel hoge particuliere consumptie en geen of zelfs negatief sparen konden alleen worden volgehouden door massaal op krediet te leven en schulden op te bouwen. Uit studies blijkt dat de onevenwichtige en overmatige schuldopbouw in de VS de afgelopen jaren niet alleen hand in hand ging met een toename van de ongelijkheid, maar dat ze er zelfs door werd veroorzaakt. In het jaar 2007 verdiende de rijkste 10 procent Amerikanen liefst 49,7 procent van het nationale inkomen. Hoe kan zoiets leiden tot kredietexcessen? Hoe groter het inkomen, hoe kleiner het percentage van het inkomen dat wordt geconsumeerd (de consumptiequote). Iemand aan de onderkant van de inkomensladder consumeert allicht het grootste deel van zijn lopend inkomen. Voor een Bill Gates aan de bovenkant van die ladder is de consumptiequote veel lager. Vertrekken we opnieuw van de 10 procent rijkste Amerikanen - die samen zowat 50 procent van de inkomens verdienen - en veronderstellen we dat zij de helft van hun inkomen consumeren. Vermits het nationale inkomen van een land ongeveer gelijk is aan de nationale productie, consumeert de rijkste 10 procent slechts 25 procent van de nationale productie. De rest van alle productie (75 %) moet dan worden geconsumeerd door de rest van de bevolking. Zij beschikken over slechts 50 procent van alle verdiende inkomens, maar ze worden toch geacht om 75 procent van de nationale productie te consumeren. Dat is alleen maar mogelijk wanneer zij krediet aangaan. Hoe groter de ongelijkheid, hoe meer krediet nodig is. Op een bepaald moment breekt de financiële draagkracht van de middenklasse en klapt het kaartenhuis in elkaar. In 2007 liep het inkomensaandeel van de rijkste Amerikanen op tot het hoogste niveau sinds 1929, dat andere grote financieel-economische scharniermoment. Na die crash daalde de inkomensongelijkheid geleidelijk en bleef ze decennialang vrij constant. Voor een evenwichtiger wereldeconomie moeten de VS afkicken van hun kredietverslaving. Hoewel momenteel een Amerikaans taboe, is een meer gelijke inkomensverdeling hiervoor een noodzakelijke voorwaarde. Een stuk van die herverdeling gebeurt automatisch: de hoogste inkomens lijden proportioneel sterker onder financiële crisissen en dus valt een compressie van de inkomensverdeling te verwachten. Het is maar de vraag of president Obama, na zijn lastig parcours over de gezondheidszorg, nog veel zin zal hebben om ook het thema van de ongelijkheid aan te snijden. Zijn tegenstanders zullen zijn beleid des te meer vergelijken met experimenten uit een vrij recent verleden. De auteur is cHIEF ECONOMIST VAN PETERCAM. Peter De Keyzer