Het Britse begrotingstekort tegenover het bruto binnenlands product blijft het op één na grootste van de G20 van de grote economieën; alleen dat van Japan wordt groter. Tegen het einde van het jaar overtreft de schuld voor het eerst 1,5 biljoen pond.
...

Het Britse begrotingstekort tegenover het bruto binnenlands product blijft het op één na grootste van de G20 van de grote economieën; alleen dat van Japan wordt groter. Tegen het einde van het jaar overtreft de schuld voor het eerst 1,5 biljoen pond. De regering blijft de opgeblazen staat afslanken. Grote brokken -- gezondheidszorg en pensioenen -- blijven gespaard, wat betekent dat elders dieper gesnoeid moet worden. Lokale besturen, openbaar vervoer en de kunstsector voelen dat. Een eerste bijdrage wordt geleverd door de banken. Een nieuwe versie van een oude bank, TSB, doet haar eerste stappen op de beurs. Naarmate andere kredietverleners slechte activa afstoten, worden hun winst- en kapitaalbuffers groter. Als de Bank of England zegt dat ze voldoende in vorm is om grotere dividenden uit te keren, veren de aandelenprijzen meteen op. Tegen het einde van het jaar verkoopt de regering hele brokken van haar participaties in vier banken en bouwfondsen die tijdens de crisis gered werden. Vlot krediet ondersteunt de economie het hele jaar door. De hypotheken blijven goedkoop en komen steeds ruimer ter beschikking. Naarmate meer Britten een huis kopen en deviezen het land blijven binnenstromen, stijgen ook de vastgoedprijzen. Uit vrees voor een bubbel roepen velen de Bank of England op om de intresten op te trekken, maar die houdt zich aan haar belofte om ze laag te houden tot de werkloosheid onder 7 procent zakt, wat het hele jaar onwaarschijnlijk is. De lage rente houdt het pond goedkoop. De Britse export is wisselvallig. Handelsfirma's wenden zich naar Azië, en de uitvoer naar China en Zuid-Korea neemt met 10 procent of meer toe. De export naar door de crisis getroffen eurolanden krimpt en die naar Frankrijk en Duitsland blijft zwak. Halfweg de jaren 2000 ging 60 procent van de Britse export naar Europa. Eind 2014 kan dat aandeel tot de helft teruggezakt zijn. Ondanks de brede opleving blijven de Britten ontevreden. Meer dan 2 miljoen zitten zonder werk. De hoge werkloosheid houdt de lonen laag. Tegelijk groeit de arbeidsgeschikte bevolking, zeker nadat de beperking op de inwijking van Bulgaren en Roemenen is verdwenen. Heel wat werknemers worden armer omdat hun lonen achter de inflatie hollen. In 2014 is de taart misschien groter dan ooit, maar ook de bevolking is groter. Politici die willen pochen over hoe goed Groot-Brittannië het doet, krijgen het in 2014 moeilijker. De EU-landen schakelen over op nieuwe maatstaven om economisch gewicht te meten. Onderzoek en ontwikkeling wordt daarbij als investering en onderdeel van het bbp geteld. De Britse bestedingen aan onderzoek en ontwikkeling liggen ver achter op die in Frankrijk en Duitsland. Door de statistische omschakeling glijdt Groot-Brittannië nog achteruit. Het staat in de wereldwijde bbp-rangschikking nu al achter het zevende geplaatste Brazilië en voelt de adem van Rusland in de nek. Groot-Brittannië lijkt net als Canada en Italië meer en meer een has-been die alleen nog tot de G7 behoort vanwege zijn geschiedenis, eerder dan zijn economische gewicht. De auteur is redacteur Britse economie van The Economist RICHARD DAVIESOndanks de brede opleving blijven de Britten ontevreden.