1 Het geval van de programmeur

De fiscus voerde een controle uit van een zelfstandige programmeur. De ambtenaar stelde vast dat op de rekening waarop de klanten zijn facturen betaalden, ook bedragen werden gestort waarvan de programmeur geen facturen kon voorleggen. Hij ging ervan uit dat die bedragen niet waren aangegeven en dat het dus om zwarte inkomsten ging. De belastingfactuur van de zelfstandige werd verhoogd met de niet-verantwoorde inkomsten.
...

De fiscus voerde een controle uit van een zelfstandige programmeur. De ambtenaar stelde vast dat op de rekening waarop de klanten zijn facturen betaalden, ook bedragen werden gestort waarvan de programmeur geen facturen kon voorleggen. Hij ging ervan uit dat die bedragen niet waren aangegeven en dat het dus om zwarte inkomsten ging. De belastingfactuur van de zelfstandige werd verhoogd met de niet-verantwoorde inkomsten. De programmeur verdedigde zich voor het hof van beroep door te zeggen dat de inkomsten waarvan hij geen factuur had, het gevolg waren van een terugbetaling van een geannuleerde vakantie en van beurswinsten. Maar hij kon daar geen bewijzen van voorleggen. De rechter oordeelde dan ook dat het ontegensprekelijk om een beroepsrekening ging, zeker omdat het rekeningnummer op het briefpapier van de zaak stond. De fiscus werd dan ook volledig in het gelijk gesteld en de programmeur werd belast op de niet-aangegeven inkomsten. Een apotheker stortte de cash waarmee zijn klanten in de zaak betaalden op een zichtrekening van de apotheek. Regelmatig stortte hij een deel van die ontvangsten op zijn spaarboekje. Soms gebruikte hij die spaarrekening om een leverancier te betalen. De fiscus beschouwde het spaarboekje daarom als een beroepsrekening. De controleur kreeg zo inzicht in het spaarboekje. Daaruit bleek dat de apotheker belangrijke intresten kreeg op die rekening. De fiscus kwalificeerde die daardoor als beroepsintresten, met het gevolg dat de apotheker er 50 procent belastingen (plus de gemeentebelasting) op moest afdragen. De apotheker ging daarmee niet akkoord. Volgens hem gebruikte hij het spaarboekje niet voor beroepsdoeleinden en waren de intresten dus niet belastbaar als een beroepsinkomen. De discussie kwam uiteindelijk voor het hof van beroep. De rechter gaf de apotheker gelijk met dit argument: "Het feit dat er op een spaarboekje kasontvangsten, dus beroepsinkomsten, worden gestort betekent niet per definitie dat de gelden die op deze rekening staan, gebruikt worden voor de uitoefening van de beroepsactiviteit. Als dat immers zo zou zijn, dan zou dit betekenen dat elke opbrengst van gelden die zijn verdiend door middel van een beroepsactiviteit, ook een beroepsinkomen is. Dat kan nooit de bedoeling van de wetgever zijn geweest. Dat het spaarboekje ook wordt gebruikt om de leveranciers van de apotheek te betalen, is niet voldoende om dit boekje als een beroepsrekening aan te merken."