De adepten van economische geschiedschrijving waren er op aan het wachten: een vergelijking tussen de Grote Depressie van 1929 en de financiële crisis of Grote Recessie van 2008. Berkeley-econoom Barry Eichengreen heeft zich nu van die taak gekweten. Hall of Mirrors is de eerste diepgravende vergelijkende studie.
...

De adepten van economische geschiedschrijving waren er op aan het wachten: een vergelijking tussen de Grote Depressie van 1929 en de financiële crisis of Grote Recessie van 2008. Berkeley-econoom Barry Eichengreen heeft zich nu van die taak gekweten. Hall of Mirrors is de eerste diepgravende vergelijkende studie. De geschiedenis van de twee crisissen is bekend, maar Eichengreen moet in zijn boek toch de puntjes op de i zetten. Algemeen wordt aangenomen dat de Grote Depressie het gevolg was van het wanbeleid van centrale bankiers en politici. Mensen als een Ben Bernanke, in 2008 voorzitter van de Amerikaanse Centrale Bank (de Federal Reserve of Fed), waren experts in de geschiedenis van de Grote Depressie en wisten dus hoe ze een herhaling moesten vermijden: door massaal geld in de economie te injecteren. Nu legt Eichengreen in Hall of Mirrors uit dat centrale bankiers de crisis in 1929 aanvankelijk relatief goed hebben opgevangen. Het eerste jaar was de Fed wel degelijk de 'lender of last resort' en werd een massa geld in de banken gepompt na de beurscrash. Pas in 1931 begon het fout te lopen. De grootste Oostenrijkse bank ging over de kop en tegelijk bleven veel landen vasthouden aan de goudstandaard. De Fed verhoogde zelfs de rente om de vlucht van het goud tegen te gaan. Dat deed tal van economieën ineenstorten. Het gevolg was onder andere dat de nazi's in Duitsland aan de macht kwamen. Eichengreen legt uit dat de landen die als eerste de goudstandaard lieten vallen ook als eerste uit de Grote Depressie geraakten. In de VS gebeurde dat in 1933 na de verkiezing van president Franklin D. Roosevelt. De fout van de verslaving aan de goudstandaard konden de centrale bankiers en beleidsmakers in 2008 niet maken. Eichengreen vindt dat ze alles bij elkaar goed op de crisis hebben gereageerd. Maar eigenlijk moest de Federal Reserve veel langer en veel meer liquiditeiten in de Amerikaanse economie hebben gepompt. De Amerikaanse economie zou zich op die manier veel sneller hebben hersteld. Wat Europa betreft, vindt Eichengreen dat Duitsland had moeten uitgeven om de Europese economie weer aan de praat te krijgen. Kritisch is Eichengreen vooral over de manier waarop het financiële stelsel werd gereguleerd na de crisis van 2008. Hij ziet niet veel veranderingen, want de grootbanken blijven het financiële systeem beheersen. Tachtig jaar geleden gingen de VS veel verder met de Glass-Steagall Act, die depositobanken en risicovolle investeringsbanken van elkaar scheidde. Het boek gaat ook in op de eurocrisis, al zijn er slechts drie hoofdstukken aan gewijd. Dat is een van de weinige zwaktes van het boek. De focus ligt te veel op de VS en dat is wat jammer. Want de eurocrisis is onlosmakelijk verbonden met de Grote Recessie. Wel geeft Eichengreen mee dat de invoering van de euro te vroeg kwam en dat er nog altijd geen sprake is van een volwassen Europese monetaire unie. "Het Europese monetaire huis op orde krijgen heeft veel weg van een renovatie zonder einde", schrijft Eichengreen. Barry Eichengreen, Hall of Mirrors: The Great Depression, the Great Recession, and the Uses -- and Misuses -- of History, Oxford University Press, 2015, 512 blz., 30 euroALAIN MOUTON